Onder professoren II

Sommige mensen zijn nog lang na hun dood onaantastbaar. Onlangs waagde ik het een vraagteken te zetten achter de wetenschappelijke betekenis van de in 1985 overleden polemoloog B.V.A. Röling. Nu, daar heb ik wat over te horen gekregen. Was het wel netjes een overledene, die zich niet kon verdedigen, te kritiseren? Tja, als die maatstaf gehanteerd wordt, wordt bijna alle wetenschappelijke kritiek onmogelijk. Het werk van, bijvoorbeeld, Huizinga of Freud zou dan boven elke kritiek verheven zijn.

Andere bezwaren die gehoord werden: ja, maar Röling was zo'n bevlogen man; was zo'n artistieke man; was, zoals een briefschrijver schreef, “voor menigeen op z'n minst een eminent en waardig vertolker van de grote verontrusting over de gigantische omvang van de wapenwedloop tijdens de Koude Oorlog”. Allemaal waar, maar dat zegt toch niets over de wetenschappelijke waarde van zijn polemologisch werk?

Ik wil in mijn lof voor Röling nog wel verder gaan dan deze apologeten: Röling was, met zijn geschrift Nieuw-Guinea als wereldprobleem (1958), een van de eersten die bezwaren aantekenden tegen minister Luns' rampzalig Nieuw-Guineabeleid. Het heeft hem waarschijnlijk de het jaar daarna vacant geworden, prestigieuze leerstoel volkenrecht te Leiden, waarvoor hij nummer één op de voordracht stond, gekost.

Eerder nog had hij, als Nederlands rechter in het tribunaal tegen Japanse oorlogsmisdaden te Tokio, van groter onafhankelijkheid getuigd - tegen druk (ook uit Den Haag) in - dan menigeen van zijn ambtgenoten. Aan moed ontbrak het Röling bepaald niet. En ook niet aan wetenschappelijk inzicht, waarvan hij als criminoloog al ruimschoots blijk had gegeven.

Maar ook dat zegt niets over de wetenschappelijke waarde van zijn polemologisch werk, waarmee hij omstreeks 1960 begon. Wie kan daar evenwel beter over oordelen dan degeen die hem als hoogleraar polemologie en als directeur van het door hem opgerichte Polemologisch Instituut te Groningen (dat nu opgeheven wordt) is opgevolgd: H.W. Tromp?

In Trouw van 9 maart geeft Tromp zijn oordeel over Röling als polemoloog. Nu, het houdt niet over. Als leider van een team schoot Röling te kort, kunnen we uit Tromps woorden opmaken: verscheidenen van de staf hadden “onvoldoende kwaliteit om wetenschappelijk onderzoek te doen en bijvoorbeeld een dissertatie te schrijven. (...) De staf heeft vrijwel niets gepresteerd. (...) Toen hij vertrok was dan ook niemand van de vaste staf die ik erfde gepromoveerd.” (Tromp zelf promoveerde op een verslag van een simulatie-experiment.)

En Rölings eigen wetenschappelijk werk? “Er werd wel eens betwijfeld of hij wetenschap bedreef, maar als het kritisch analyseren van de politieke werkelijkheid geen wetenschappelijke bezigheid is, dan weet ik het niet meer.” En dan vergelijkt Tromp met mij: “Heldring doet in de NRC niets anders dan kritische aantekeningen maken bij de politiek.”

Als dàt het criterium is voor wetenschappelijk werk, vraag ik me af waarom niet alle politieke commentatoren die Nederland rijk is, hoogleraar zijn geworden. Er zijn al zo veel hoogleraren, er kunnen dus nog best enkele tientallen bij. Werkelijk, als je Tromps oordeel over Röling leest, krijg je de behoefte hem tegen zijn opvolger in bescherming te nemen.

Tromps oordeel over zichzelf is trouwens ook vernietigend. Althans dat kunnen we indirect concluderen uit wat hij zegt over zijn instituut in de jaren dat hij er de scepter zwaaide: van de vier dissertaties die tussen 1981 en 1987 verschenen, had geen enkele “direct te maken met de wetenschap van oorlog en vrede”. En hij beschuldigt zijn vroegere medewerkers van “wanprestatie”. Zelft heeft hij trouwens in die jaren ook weinig meer wetenschappelijk werk geleverd dan een paar artikelen in de pers.

Kortom, de manier waarop Tromp over zijn overleden leermeester en zijn vroegere medewerkers spreekt, levert geen verkwikkelijke lectuur op. Maar het gekste is nog dat hij, ondanks zijn falen als leider van een universitair intituut en, mogen we wel zeggen, als wetenschapsman, na de opheffing van de leerstoel polemologie een andere leerstoel aangeboden heeft gekregen.

Het is een leerstoel in een vak dat geheel nieuw voor hem is. Immers, in Het Parool van 10 februari zei hij: “Ik ga me bezighouden met een voor mij heel nieuw veld, environmental security. (...) Het lijkt me heerlijk me weer eens ergens in te verdiepen.” Blijkbaar geldt de regel: eens professor, altijd professor; en als er geen vak voor je is, dan wordt het wel voor je uitgevonden. Worden de mindere goden ook zo mooi ondergebracht? Het is tijd dat W.F. Hermans het tweede deel van Onder professoren schrijft.