Milieuvriendelijke machines

Het rondspuiten van dunne mest is uit den boze. Er verdwijnt dan veel ammoniak in de lucht. Dat gebeurt niet als boeren de mest rechtstreeks in de grond brengen of - op bouwland - direct onderwerken. Dat kan met grote mestinjecteurs of zodebemesters die brullend over het land kruipen en vrijwel onzichtbaar en reukloos hun werk doen. Met deze emissie-arme techniek vervluchtigt veel minder ammoniak dan bij bovengronds uitrijden; het vermindert de ammoniak-uitstoot door de veehouderij met 30 procent.

Dat is niet alleen winst voor het milieu. Het is ook voor de boer beter dat de stikstof niet de lucht in vliegt, maar ten goede komt aan zijn gewassen. Rundveemest is eigenlijk de compleetste en qua samenstelling meest evenwichtige meststof die op grasland denkbaar is. De koe geeft immers zo de mineralen die zij via het gras aan de bodem onttrekt met haar mest terug aan de grond.

Om de mest optimaal te benutten voor de gewassen is het ook belangrijk dat de boeren de mest in of vlak voor het groeiseizoen uitrijden. De mineralen krijgen dan niet de kans uit te spoelen, omdat ze direct door de wortels worden opgenomen. Daarom moeten boeren grote mestopslagen bouwen zodat ze geen mest in de winter hoeven uit te rijden. Het tijdstip en de manier waarop boeren hun land mogen bemesten, is gebonden aan mestuitrij-regels. Deze verschillen per maand, per grondsoort en per gebruiksdoel. Deze regels worden ieder jaar verder aangescherpt. In 1995 moet alle mest emissie-arm worden uitgereden.

De landbouw moet veel investeren in machines die emissie-arm werken. Bij zo'n werktuig zit achter aan het mestvat een stellage die gleufjes maakt waarin via dikke buizen mest wordt gespoten. Voor grasland heeft de overheid nu vijf systemen goedgekeurd; de mestinjecteur, de zode-injecteur, de zodebemester, de sleepvoetenmachine en de sleufkoutermachine. De werktuigen verschillen in de hoeveelheid mest die ze per hectare kunnen toedienen en in de vorm en diepte van het sleufje.

Uit berekeningen blijkt dat boeren zo'n werktuig beter niet zelf kunnen kopen. Zonder rekening te houden met eigen arbeid kost een eigen zodebemester al gauw ruim 11 gulden per kubieke meter mest; met een ouderwetse gierton kon de boer zelf mest uitrijden voor veel minder dan 2 gulden machinekosten per kuub.

Het milieuvriendelijk uitrijden van mest kan hij beter overlaten aan een loonbedrijf. Dat is een onderneming die beschikt over grote trekkers en werktuigen en tegen betaling werkzaamheden komt verrichten. Loonwerkers investeren een half miljoen gulden in een zodebemester met een grote capaciteit. Als ze veel uren maken en voor een groot aantal boeren mest uitrijden, kunnen loonwerkers zo'n machine op papier voor 6 à 7 gulden per kuub rendabel maken. De praktijk is echter anders. De concurrentie tussen loonwerkers is zo moordend dat ze mest komen injecteren voor prijzen vanaf 3 gulden per kubieke meter.

De loonwerkbedrijven zijn verenigd in de bovaL; de bond van loonbedrijven voor agrarisch- en grondverzetwerk in Nederland. Deze organisatie heeft onlangs onder haar leden een enqu^ete uitgevoerd en komt op basis daarvan tot de onthutsende conclusie dat er twee keer zoveel apparatuur is voor het emissie-arm aanwenden van mest dan nodig. Door die overcapaciteit leggen de loonwerkers flink toe op hun investering.

De voorzitter van de bovaL, J. Maris, schuift de overheid een belangrijk deel van de schuld voor dit deb^acle in de schoenen. “De politiek is nog grilliger geweest dan de vrije markt. Dat heeft geleid tot risico's voor loonbedrijven die het normale ondernemersrisico te boven gaan.”

Maris spitst zijn kritiek toe op vier punten. De overheid had het voornemen om in het voorjaar van 1991 het emissie-arm uitrijden van mest op grasland in een aantal regio's verplicht te stellen. Op basis van dit voornemen hebben veel loonwerkers in de desbetreffende gebieden al snel dure machines aangeschaft die eigenlijk nog volop in ontwikkeling waren. Op het moment dat veel van deze investeringsbeslissingen waren genomen, besloot de overheid alsnog de invoering van de regel een jaar uit te stellen. De reden hiervoor was een vermeende ondercapaciteit aan emissie-arme werktuigen, waardoor veel boeren niet aan de verplichting zouden kunnen voldoen. De kostbare machines die al wel beschikbaar waren konden vervolgens alleen ver onder de prijs aan het werk bij boeren die op vrijwillige basis milieuvriendelijk wilden bemesten.

Een tweede punt van kritiek komt naar voren uit de enqu^ete. Veel loonwerkers menen dat de controle op de handhaving van uitrijregels afgelopen jaar onvoldoende is geweest. Een aantal boeren heeft op de ouderwetse wijze uitgereden waar dit eigenlijk met een emissie-arme machine had moeten gebeuren. Uit de enqu^ete blijkt overigens ook dat de groep boeren die op vrijwillige basis mest milieuvriendelijk laat uitrijden groeiende is.

Een derde doorn in het oog van Maris is het feit dat veel loonwerkers nog maar net een dure zodebemester hadden aangeschaft, toen de overheid 1 januari jongstleden plotsklaps ook de veel goedkopere sleufkoutermachine landelijke toelating gaf. Deze kapitaalsvernietiging is volgens hem niet alleen het gevolg van technologische ontwikkeling, maar ook van onvoorspelbaar beleid.

Het laatste punt van kritiek van de bovaL-voorzitter betreft de subsidie op de aanschaf van milieuvriendelijke machines. Deze varieert van 20.000 tot 50.000 gulden op een investering van circa 500.000 gulden en had blijkbaar op veel loonwerkers een grote aantrekkingskracht. Maris ziet liever subsidies op het gebruik van machines dan op de aanschaf ervan.

Ondanks zijn wijzende vingertje naar de overheid is Maris ook best bereid een hand in eigen boezem te steken. “Veel loonwerkers zijn er te gretig ingesprongen. Ze wilden allemaal de concurrentie voor zijn en hebben daarbij meer gekeken naar de financiering dan naar de afzet. Ik ken dorpjes waar twee of drie loonwerkers zo'n kreng hebben aangeschaft zonder dat ze het van elkaar wisten, terwijl er eigenlijk maar werk is voor één.”