Jane Tompkins, West of Everything. The Inner Life ...

Jane Tompkins, West of Everything. The Inner Life of Westerns. Oxford University Press, 245 blz. Prijs ƒ 50,70.

Chaplin: De Autobiografie. Uitg. BZZTôH, 571 pag. Prijs ƒ39,50.

Steve Vineberg: No Surprises, Please. Movies in the Reagan Decade. Uitg. Schirmer Books, 386 blz. Prijs ƒ 65,65.

"Ik vind het heerlijk violen te horen met hoefgetrappel erdoorheen en de met cactussen bespikkelde horizon te zien achter de titelrol. Als de paarden op de camera afstormen en tot staan worden gebracht in een wolk van stof, houd ik mijn adem in.'

Jane Tompkins laat er in het voorwoord bij haar West of Everything geen misverstand over bestaan, ze is dol op westerns. Maar als ze direct daarna het genre karakteriseert, komt ze als "feministisch taalkundige' dubbel in de problemen. Westerns gunnen vrouwen slechts een plaatsje in de marge. En de echte mannen wantrouwen mooipraters en verheffen zwijgzaamheid tot de hoogste kunst - de mond van John Wayne is in zijn laatste jaren nog slechts een van de vele groeven in zijn gezicht.

Hoe kan Tompkins iets mooi vinden dat zo verwerpelijk is? Ze gaat die tegenstrijdigheid niet uit de weg ("I am simultaneously attracted and repelled by the power of Western heroes') en toont de hartstocht van de zondaar. Daarbij maakt ze van de nood een deugd door de stelling te verdedigen dat westerns hun bestaansrecht ontlenen aan hun afwijzing van de vrouwelijke, Victoriaanse cultuur aan de Amerikaanse oostkust van de negentiende eeuw. Mannen vluchtten voor hun vrouwen naar een ruw en leeg land waar het er niet toe deed wàt voor man je was, àls je maar een man was.

Met het "ten westen van alles' van de titel verwijst Tompkins naar de vlucht voor een verwijfde beschaving: "There ain't no Sundays west of Omaha', heet het in de film The Cowboys. In het maanlandschap ten westen van de Rocky Mountains verloopt het leven volgens oudtestamentische normen van eer en wraak. Ik denk dat Tompkins de zin van de western eerder daarin moet zoeken dan in het verlangen superieur te zijn aan de vrouw.

Westerns hebben alle aantrekkingskracht van de eenvoud. Zoals Henry Fonda de kwaliteiten van zijn Colt samenvat in Once Upon a Time in the West: "They still shoot holes big enough for our little problems.' Terwijl je in de "gewone' wereld de hele dag alles wat krom is recht moet praten, knal je in the West je problemen de wereld uit.

Met die eenvoudige regels spelen kinderen op straat nog altijd cowboytje. Niet omdat ze willen ontsnappen aan de wurggreep van de Victoriaanse en vrouwelijke normen die de maatschappij hun oplegt.

Jane Tompkins, West of Everything. The Inner Life of Westerns. Oxford University Press, 245 blz. Prijs ƒ 50,70.

BAS BLOKKER

Keurig op tijd om Richard Attenboroughs film Chaplin te vergezellen die met de Paasdagen in de Nederlandse bioscopen te zien zal zijn, komt de Nederlandse vertaling uit van My Autobiography die Charles Chaplin in 1964 publiceerde. Chaplin begon ermee nadat hij met A King in New York zijn op een na laatste film had gemaakt en was vijfenzeventig toen hij het boek voltooide, na drie jaar dag in dag uit van 's morgens zeven tot 's avonds tien uur schrijven.

Veel details uit Chaplins autobiografie zijn inmiddels herzien en de gaten die hij liet vallen ingevuld door de machtige Chaplinbiogafie die filmhistoricus David Robinson in 1985 publiceerde. Maar zelfs het feit dat het boek bijna dertig jaar oud is, neemt niet weg dat het nog altijd heel innemend en lezenswaardig is gebleven. Chaplin hield van taal (als jongen voldeed hij lange tijd aan de zelfopgelegde opdracht om elke dag een nieuw woord uit het woordenboek te leren) en weet vooral in de eerste helft van zijn boek, over zijn zware jeugd in Londen, het vaudeville-theater daar en de vroege jaren in Hollywood, even fris als schilderachtig een complete wereld op te roepen. Dat hij de schandalen als gevolg van zijn onhandig beleden voorkeur voor hele jonge bruidjes afzwakte of oversloeg is hem allang vergeven, maar dat hij de namen van vage maar beroemde bekenden vermeldde en die van vele naaste medewerkers wegliet, werd hem in later jaren vaak verweten. Over zijn succes, zijn faam en de, hóge, kringen waarin hij verkeerde, vertelt hij namelijk soms onuitstaanbaar uitvoerig, al is bijvoorbeeld weer zijn verslag van een feestelijke, met griezelige "wolkenkrabberachtige' zakenmannen gevulde, lunch ter ere van J. Edgar Hoover weergaloos scherp en neemt hij geen blad voor de mond over de antisemitische reacties op The Great Dictator. Onverwacht is zijn lankmoedige houding tegenover de Amerikaanse regering die hem, na veertig jaar onschatbare verdiensten voor haar filmindustrie, op instigatie van Senator Joseph McCarthy zo terroriseerde dat hij het land moest ontvluchten: "Mijn hoofdzonde was, dat ik een non-conformist ben.'

Over de manier waarop zijn films tot stand kwamen zweeg Chaplin in zijn autobiografie: "if people know how it's done, all the magic goes.' Kevin Brownlow onthulde zijn werkwijze in de documentaire serie The Unknown Chaplin. Hij maakte duidelijk dat Chaplins magie nooit verloren gaat.

Chaplin: De Autobiografie. Uitg. BZZTôH, 571 pag. Prijs ƒ39,50.

JOYCE ROODNAT

Het is misschien wat voorbarig om al de filmgeschiedenis van de jaren tachtig te willen schrijven. Toch is de Zeitgeist van het afgelopen decennium de kapstok, waaraan Steven Vineberg, Amerikaans criticus en filmdocent, zijn onder de titel No Surprises, Please - Movies in the Reagan Decade gebundelde recensies ophangt. Behalve in losse observaties in enkele tientallen kritieken, bij voorbeeld dat zijn studenten de onnadrukkelijke structuur van Nashville (Robert Altman, 1975) niet meer begrijpen, brengt Vineberg zijn opvattingen over het tijdsgewricht vooral naar voren in een samenvattende inleiding.

Zijn stelling luidt dat het Amerikaanse publiek, murw gemaakt door het conservatieve politiek-culturele klimaat, de filmindustrie en het merendeel van de Amerikaanse critici, geen enkele bereidheid meer toonde tot het kijken naar het soort films, dat eind jaren zestig, begin jaren zeventig nog de toon aangaf in Hollywood. The Godfather, M.A.S.H. of Taxi Driver werden gekenmerkt door niet-eenduidige maatschappijkritiek en een niet al te expliciete, soms zelfs ironische vormgeving. Het lijstje toonaangevende films uit de jaren tachtig (van Fatal Attraction tot Born on the 4th of July) stemt daarnaast inderdaad treurig, omdat bijna altijd conservatieve opvattingen (of in minder gevallen, politiek-correcte progressieve ideeën) zonder tegenspraak te dulden het publiek ingewreven worden.

Vineberg, die publiceerde in weinig toonaangevende kranten als The Stanford Daily en The Boston Phoenix, betoont zich in zijn recensies een intelligente beschouwer, die echter vooral de nadruk legt op verhaal en thematiek van de door hem beschreven films. Zijn proza overtuigt het meest, wanneer hij bij voorbeeld een film als Spike Lee's Do the Right Thing analyseert op het dubbele effectbejag, voor een zwart publiek en voor een van schuldgevoel vervuld blank publiek.

De keuze van Vinebergs favoriete films is verrassend: Brian De Palma's Blow Out en vooral Casualties of War noemt hij meesterwerken, evenals Alan Parkers Shoot the Moon en drie films van Jonathan Demme: Swing Shift (in de originele versie), Stop Making Sense en Something Wild. We moeten er maar van uitgaan dat hij tot de ontdekking van Demme is gekomen voordat die The Silence of the Lambs maakte.

Zo'n boek vol recensies is een merkwaardig verschijnsel, dat je niet bepaald in een adem uitleest. Het zou wel aardig dienst kunnen doen als handleiding voor een bezoek aan de videotheek, waar sommige van de door Vineberg genoemde, niet in Nederland in de bioscoop uitgebrachte films nog steeds te huur zijn.

Steve Vineberg: No Surprises, Please. Movies in the Reagan Decade. Uitg. Schirmer Books, 386 blz. Prijs ƒ 65,65.

HANS BEEREKAMP

Foto: Marlene Dietrich naast een verbrijzelde gipsen vrouw, de hamer nog in haar hand en een boze blik alsof zij het beeld aan stukken heeft geslagen. Een tweede blik op deze foto maakt duidelijk dat de decor-afdeling het beeld heeft vernield en haar de hamer in handen heeft gegeven. Alles aan haar is verstild: de strapless zwartfluwelen jurk, de gelakte nagels waarmee ze de steel omklemt en de haarlok die woedend voor haar oog hangt.

Actrice Louise Brooks schreef het al: "Ze was een galopperende koe (-) Al haar bewegingen waren gruwelijk. Dus schrapte (Joseph von Sternberg, haar "maker') eenvoudigweg alle beweging en schilderde hij haar op het doek in prachtige poses.' Marlene Dietrich is geen filmster maar een fotoster.

Style and substance (uitg. Dutton, 160 blz, ƒ 65,65) toont de zwemen van beweging waarmee de vorig jaar overleden Marlene Dietrich onsterfelijk werd. De tekst van de Engelse schrijver Patrick O'Connor voegt niet veel toe aan de legende maar de foto's geven de ware ster te zien.