In het dal; Ernst Ludwig Kirchners Zwitserse oeuvre

Ernst Ludwig Kirchner werd naast een station geboren en beschouwde zichzelf als een schilder van beweging: auto's, danseressen, haastige stadsbewoners. Toen hij naar het rustige Davos verhuisde zette hij op zijn schilderijen aanvankelijk de Alpen in brand. Later kalmeerde zijn werk, zo zeer zelfs dat die periode van zijn kunstenaarschap in de kunstgeschiedenis niet voor komt. In Davos kreeg hij onlangs een eigen museum.

Kirchner Museum Davos, Ernst Ludwig Kirchner-Platz, CH-7270, Davos Platz. Geopend dagelijks, behalve maandag, van 14 tot 18 uur. Inl. 09-4181432202

Zo hoog in het Sertigdal gebeurt helemaal niets. Tegen de berghellingen staan de sparren als op de hemel gerichte pijlen. Iets lager wachten wat onbewoonde chalets bedekt door een dik sneeuwbed tot het lente wordt. Nog dieper ruikt het soms even naar paard. Wie goed luistert hoort in de verte de belletjes van een arreslee. Een beekje ruist, een skiër zoeft voorbij en is al weer verdwenen voor je het weet. Nog dieper afdalend in het dal komt men meer skiërs, langlaufers en wandelaars tegen. Ze zijn onveranderlijk verpakt in jacks, broeken en complete overalls van violet, groen en oranje nylon. Hun mutsen, moonboots en rugzakjes hebben dezelfde snerpende kleuren en dat is voorlopig ook het enige verband dat ik kan leggen met de reden van mijn komst naar dit dal: het verblijf van de expressionistische schilder Ernst Ludwig Kirchner in Davos. Eenentwintig jaar lang heeft hij hier gewoond, van 1917 tot zijn zelfgekozen dood in 1938. Waar dit Sertigdal uitkomt op een veel groter en langer dal staat, op een paar kilometer afstand van Davos, nog steeds zijn huis. De Wildboden heet deze plek. Een groot uit steen en dikke boomstammen opgetrokken boerenhuis. De luiken zijn gesloten. Hier vlakbij op het Waldfriedhof ligt Kirchner begraven. Een zerk van leisteen rijst op uit de sneeuw. In gouden kapitalen is zijn naam daarin gekerfd. In Davos ten slotte is onlangs een nieuw museum geopend, met niet alleen schilderijen uit zijn Davoser tijd, maar ook een grote verzameling grafiek, tekeningen, dagboeken en foto's. Het kuur- en vakantieoord Davos is in één klap het wereldcentrum van de Kirchner-Forschung geworden.

Maar wat heeft deze heftig schilderende expressionist, een van de oprichters van de Dresdener schildersgroep de "Brücke', in Davos gezocht? Wat deed een schilder van het vroeg twintigste-eeuwse stadsleven, van dichte mensenmassa's, van dansfeesten en straatlantaarnlicht in een stil dal tussen de alpenweiden, in de sneeuw, in de stilte?

Kirchner, geboren in 1880 in Asschaffenburg aan de Main en opgegroeid in Frankfurt en Zwitserland heeft een opleiding tot architect gevolgd. Daarna pas is hij gaan schilderen. In 1905 richtte hij samen met Frits Bleyl, Erich Heckel en Karl Schmidt-Rottluff in Dresden de schildersgroep de "Brücke' op waar zich later ook Emil Nolde bijvoegde. Met de Münchener tegenhanger de "Blaue Reiter' bepaalde de "Brücke' het gezicht van het Duits expressionisme. Hun directe weergaven van de bewegingen van het moderne leven in heftige kleuren, in vormen die eerder aanduiden dan beschrijven, de verstoring van het perspectief, de verwaarlozing van het detail werd weliswaar aangevoeld als een onvolwassen dissonant van jonge wilden, als een provocerende gril, maar kreeg tegelijkertijd direct waardering in de vorm van tentoonstellingen, catalogi en aankopen.

Die erkenning is altijd gebleven. Kirchner koos onderwerpen met vaart: straat- café- en circustaferelen, sensuele lichamen, danseressen en portretten. Hij schilderde, etste en maakte houtsnedes. Al snel had hij succesvolle tentoonstellingen en er werd over hem gepubliceerd. De verkoop verliep goed, het werk won in de jaren vlak voor de Eerste Wereldoorlog aan intensiteit.

Frontdienst

Toen kwam de oorlog. Zoals zoveel kunstenaars en intellectuelen meldde ook Kirchner zich vrijwillig. Hij werd artillerist, maar actieve dienst heeft hij niet gedaan. Overmatig gebruik van absinth, sigaretten en veronal, gecombineerd met een weigering om te eten en een angst voor frontdienst leidde tot een lichamelijke en geestelijke ontreddering en ontslag uit de dienst.

Vanaf dat moment, in 1917, zit er een knak in het leven en het werk van Ernst Ludwig Kirchner. Hij kuurt wat in Davos, keert weer terug naar Duitsland, komt opnieuw naar Davos en huurt een huisje op de Stafelalp bij Frauenkirch vlakbij Davos. Daar woont hij tot 1923, in welk jaar hij samen met zijn levensgezellin Erna definitief verhuist naar het huis op de Wildboden bij de ingang van het Sertigdal. Vanaf dat moment verdwijnt zijn werk ook uit de kunsthistorische handboeken.

Kirchner leeft in deze laatste lange fase van zijn leven in een zelfgekozen ballingschap, maar hij is allerminst geïsoleerd. Hij ontvangt veel bezoek van bevriende museum- en galeriehouders en van verzamelaars van zijn werk. Er komen schilders langs, ofwel als collega ofwel om wat van hem te leren. Zo sloot de Nederlandse schilder Jan Wiegers in 1920 vriendschap met Kirchner, waarna jaarlijkse bezoeken volgden. Kirchner heeft hem zelfs tweemaal geportretteerd.

Kirchner schreef veel. Voor zichzelf in zijn dagboek, met anderen in brieven en voor iedereen in artikelen over kunst. Hij publiceerde bijvoorbeeld in het Nederlandse blad Kroniek van hedendaagsche Kunst en Kultuur. Hij regisseerde zijn eigen plaats in de kunstgeschiedenis. Hij antedateerde niet alleen zijn eigen werk, hij bemoeide zich ook hevig met wat over hem geschreven werd. Hij weigerde bijvoorbeeld werk ter reproduktie af te staan wanneer hij niet het laatste woord kreeg over de bijbehorende tekst. Onder pseudoniem schreef hij bovendien kritieken op zijn eigen werk, die uiteraard zeer begripvol en lovend waren. Onder zijn schuilnaam Louis de Marsalle schreef hij in de inleiding van de catalogus Ausstellung der Graphik von E.L. Kirchner (Zürich 1927): "In dit jaar is het tien jaar geleden dat de jonge Duitse schilder Ernst Ludwig Kirchner doodziek uit Berlijn naar Graubünden kwam en daar gastvrijheid en vriendelijke verzorging vond, om te genezen of te sterven. Hij kwam er weer bovenop, bleef in de bergen en schiep in de eenzaamheid een tweede schildersoeuvre dat het Duitse oeuvre reeds nu in omvang en betekenis aaanzienlijk overtreft.'

Nog zelfbewuster presenteert hij zich in 1933 bij een tentoonstelling van zijn werk in Bern: "Zo brengt Kirchner tegenwoordig met zijn nieuwe werken slechts met originele, voorlopig alleen hem toebehorende middelen de aansluiting tot stand van de eigentijdse Duitse kunst met het internationale moderne stijlgevoel. Hij verliest daarbij noch aan originaliteit noch aan kracht...'

Hij exposeerde veel. Al in 1917 had hij een tentoonstelling in Davos en regelmatig was zijn werk te zien in Duitsland, Zwitserland en in 1937 ook in de Verenigde Staten. Aan erkenning heeft het hem dan ook niet ontbroken. Kirchner ondernam geregeld reizen, voornamelijk naar Duitsland en verder in Zwitserland als er belangrijke tentoonstellingen te zien waren. Op een tentoonstelling van internationale moderne kunst in 1925 in Zürich is hij erg teleurgesteld. "Es ist nicht gerade viel und nicht gerade eigenes, was die Herren da produzieren', schrijft hij in zijn dagboek. En dan volgt een opsomming van wat er van zijn collega's allemaal niet deugt. Derain is vervelend, Rouault merkwaardig, maar zonder belang. Utrillo, Matisse, Léger en Seurat, het stelde niet veel voor. In de Duitsers is hij teleurgesteld. Kokoschka is tragisch, Dix is niet om aan te zien, Beckmann zinloos en ergelijk, met smerige kleuren en getordeerde composities. Emil Nolde en Schmidt-Rottluff kunnen er nog mee door. Chagall is erbarmelijk. Kandinsky's kleuren kan hij waarderen, maar met diens abstractie kan hij niets aanvangen. Opgetogen is hij over Picasso: "Der eigenartigste und beste ist sicherlich Picasso.'

Er deugt dus weinig van de Europese schilderkunst, maar wat deed Kirchner zelf? Waar heeft hij zichzelf die eenentwintig jaar mee bezig gehouden?

De eerste jaren in Davos waren verwarrend en onzeker. Kirchner was zijn psychische crisis nog niet te boven, maar is wel direct aan het werk gegaan. Hij tekende en maakte houtsnedes, die in stijl en thematiek een grote nervositeit verraden. Er zijn uit deze periode enkele zelfportretten bewaard gebleven, geschilderd in een directe, haastige en onaffe stijl. We zien een in zichzelf gekeerde schilder, op een bed of aan een tafel. En in alle gevallen is er een raam of een openstaande deur met uitzicht op de buitenwereld, op een alpenweide, maar de schilder kijkt er niet naar. Hij staart naar de muur, afgewend van de buitenwereld.

Boerenland

Een schilder die verplaatst is van de grote stad naar het boerenland moet daar in zijn werk invloed van ondergaan. In de eerste jaren heeft Kirchner het ritme, de onrust van de metropool getransponeerd naar de alpen. Hij zocht er vormen van gejaagdheid en vond ze ook: geen puntige vrouwengezichten, straathoeken, en slagschaduwen, maar alpentoppen, kerkspitsen en sparren. Ook de kleuren nam hij mee. De bossen, het dorp, de berghellingen en de hemel werden van een vurige intensiteit. Groen, violet, roze: Kirchner zette de alpen in brand.

Maar daarna.

Studies over Kirchner leggen de nadruk op zijn grote produktie, zijn wil om zichzelf te vernieuwen, zijn ambitie om de essentie op zijn schilderijen te vangen door reductie, door de compositie te vereenvoudigen en op te bouwen uit egale kleurvlakken. Kirchners composities werden vanaf 1920 meer uitgebalanceerd en verliezen daardoor aan spontaniteit. Het vroege werk is hoekig, hectisch, schots en scheef en drukt een onmiddellijk gevoel uit. De vormen in Davos worden organischer, de composities eenvoudiger, opgebouwd uit evenwichtig gerangschikte vlakken, zonder kleurverloop. Die kleuren worden milder. Het zijn eerder decoratieve ontwerpen voor grote muurvlakken. De onrust die zijn vroege schilderijen zo'n spanning gaven is verdwenen.

Een verklaring voor deze abstraherende fase is Kirchners preoccupatie met tapijtontwerpen, zijn belangstelling voor de plaatselijke volkskunst met zijn wat naïeve duidelijk gedefinieerde vormen. Een nieuwe fase diende zich aan toen hij Picasso-achtig gestileerde composities ging maken. De vlakken die volumes aanduiden worden daar doorkruist door zelfstandige contourlijnen met een autonome logica. Daar komt uiteindelijk wel een schilderij uit, maar daar is dan ook alles mee gezegd. Deze schilderijen zijn cerebraal, geconstrueerd en missen de vanzelfsprekendheid die Picasso wel bereikte.

Het is verleidelijk om de verandering van Kirchners werk te verklaren uit de verhuizing van stad naar land, van cultuur naar natuur. Maar toch drukken de schilderijen uit die vroegste Davoser tijd, die het alpenlandschap tot onderwerp hebben, een schichtig soort dynamiek uit, die nog geconcentreerder aanwezig is in zijn houtsnedes en tekeningen. Het is dus niet alleen door het onderwerp - de bergen en de alpenweiden - dat zijn stijl veranderde, er moet ook met Kirchner zelf iets gebeurd zijn. Zijn omgeving werd rustig, zijn leven kreeg een zekere evenwichtigheid. In een brief van 1916 en later in een kunsttijdschrift schreef hij dat hij van jongs af aan geïnspireerd is geweest door beweging. In 1930 schrijft hij in het Zwitserse tijdschrift Das Werk: "Ik ben bij het station geboren. Het eerste wat ik in het leven zag waren de rijdende locomotieven en treinen, die tekende ik, toen ik drie jaar oud was. Misschien komt het daardoor dat vooral het kijken naar de beweging mij tot scheppen aanzet.' Inderdaad: de beweeglijke stad, danseressen, het verkeer ontbreken. Na 1920 is de dynamiek verdwenen. In zijn omgeving, maar ook in zijn hoofd en uiteindelijk in zijn werk. De landschappen staan stil, er zijn nauwelijks mensen te zien. Van bezetenheid is geen sprake meer. Kirchner lijkt niet meer vatbaar te zijn voor beweging. Hij moet het doen met stilstand. Hij schilderde veel 's nachts, of 's ochtends vroeg. Uit 1931 dateert een schilderij van het plein voor het raadhuis van Davos. De torenklok wijst vijf voor zeven. Aangezien het zonlicht op de verder gelegen berg valt is dat vijf voor zeven 's ochtends. Er gebeurt niets. De enige auto staat geparkeerd en de enige fietser is afgestapt om een praatje te maken met een dorpsbewoner.

Schaduwen

Kirchners positie in Davos was niet onbevredigend. Hij verkocht goed, van enkele verzamelaars kreeg hij toelagen en aan waardering ontbrak het niet. In 1933 dienden de schaduwen uit Duitsland zich aan. Veel van zijn Duitse vrienden emigreerden, de galeries en musea en de verzamelaars kochten niet meer. Bij de grote nazistische kunstzuivering van 1937 werden maar liefst 639 schilderijen van Kirchner uit openbare Duitse collecties verwijderd, een aantal dat ook aangeeft hoe goed hij verkocht had. Op de tentoonstelling "Entartete Kunst' hingen 32 van zijn schilderijen.

Kirchner deed er alles aan om politiek neutraal te blijven. Hij verwijderde zelfs zijn eigen beeldhouwwerk van de buitenkant van zijn huis, opdat niemand ook maar zou kunnen bevroeden dat hier een entartete kunstenaar zou leven. Elk jaar moest hij in Bern zijn visum laten verlengen en steeds groter werd zijn angst dat hij aan Duitsland zou worden uitgeleverd. Na de Anschluss van Oostenrijk in 1938 stond het voor hem vast dat ook Zwitserland geannexeerd zou worden. In Davos waren Zwitserse nazi's actief. Het is waarschijnlijk eerder zijn angst voor de politieke toekomst, de Diffamierung in Duitsland, gecombineerd met een slechte gezondheid, die de aanzet tot zijn zelfmoord hebben gegeven, dan het besef van vastgelopen kunstenaarschap. Op 15 juni 1938 schoot hij zichzelf door het hart.

Kirchners vriendin Erna overleed in 1945 en werd naast hem begraven. Verderop in het dal leefde een andere vriendin van hem, een weefster. Een aantal vrienden in Davos bezaten werk en boven de deur van het schooltje van Frauenkirch bleef de door Kirchner gesneden houten fries van de schoolmeester met zijn leerlingen, maar om de nalatenschap heeft Davos zich niet bekommerd. Er was geen erfgenaam en de directeur van het Kunstmuseum te Basel ontfermde zich daarover. Na verloop van tijd werd dit bezit overgenomen door Roman Ketterer, kunsthandelaar te Stuttgart en later in Italië.

Er bestond nog een andere concentratie van Kirchner-werk en wel in het bezit van de de Berner veilinghouder Eberhard Kornfeld. Deze had bovendien in 1962 Kirchners oude huis gekocht en ingericht met werk van de kunstenaar. Op bepaalde dagen was dit te bezoeken. In 1982 werd een Kirchner Stichting opgericht die er zorg voor droeg dat de collectie Kornfeld een nieuw onderdak kreeg. Dat gebeurde op de eerste verdieping van het postkantoor van Davos. Tot vorig jaar kon men daar deze collectie bekijken, nu is er een wintersportmuseum ingericht. Tot ieders verbazing is er in het toch niet al te kunstzinnig ingestelde Davos op korte termijn een nieuw Kirchner Museum gekomen. Dat begon in 1990 met de schenking door het echtpaar Ketterer van 400 werken van Kirchner en 160 schetsboeken aan de gemeente Davos. Men besloot tot de bouw van een museum, er kwam een prijsvraag, die door de jonge Züricher architecten Annette Gigon en Mike Guyer gewonnen werd. Een terrein werd aangewezen: het tennispark recht tegenover het prestigieuze Grand Hotel Bellevue, maar de gemeente Davos aarzelde om de benodigde miljoenen franken op tafel te leggen. Het hele project leek te stranden. Wat moet Davos ook eigenlijk met kunst? Tot geheel onverwacht de familie Ketterer besloot ook de bouw te financieren. Dat is gebeurd en het resultaat is heel bijzonder.

Het Kirchnermuseum is van een grote eenvoud. Van buiten ziet men een aantal aan elkaar geschakelde dozen bekleed met glazen platen. De lage entree is van doorzichtig glas. De betonnen wanden van de verschillende dozen zijn bekleed met matglas en daarop liggen lichtbakken van halfmat glas. Hierdoor valt het licht in de daaronder gelegen tentoonstellingszalen. Niet van boven, want bij sneeuwval zou er geen licht doordringen, maar van opzij. Het museum heeft behalve de entree en dienstruimtes duizend vierkante meter expositieoppervlak, verdeeld over vier gelijkvloerse zalen, liggend aan een centrale hal. In het souterrain is nog een vijfde zaal. In totaal bezit het museum dertig schilderijen, 500 bladen grafiek en tekeningen en die 160 schriften met zo'n 11.000 schetsen, twee tapijten en wat houtsnijwerk. Bovendien nog 200 nooit gepubliceerde foto's, vooral portretten van vrienden en buren en de correspondentie van Kirchner. Omdat er ook een grote bibliotheek is kunnen de Kirchnervorsers aan de slag.

De wanden van de museumzalen zijn neutraal wit, de vloer is van parket en het licht valt heel gelijkmatig naar binnen. De architectuur van dit eenvoudige transparante museum houdt zich dus zeer op de achtergrond. Alle aandacht is gericht op de kunst aan de muren. Eén zaal hangt vol met schilderijen uit de Davoser tijd. Verrassender zijn in de vier andere zalen de vele potlood- en krijtschetsen, de etsen, litho's en houtsneden uit alle perioden van Kirchners scheppend leven: portretten, figuren en landschappen. Vooral met potlood en etsnaald beschikt Kirchner over een losse hand die snel en direct zijn indrukken vertaalde in lijnen. Hoe dichter Kirchner bij zijn eerste impulsen bleef hoe beter het werk was. Dat valt ook op bij de schetsboekjes, of eigenlijk zijn het schoolschriften waar hij in schreef, tekende en aquarelleerde. Zijn hand was hier het directe verlengde van zijn hoofd. Voor Kirchners werk is geen mooiere plek te bedenken dan hier in Davos. Midden in het dal waar een schildersleven tot stilstand kwam.