Het belichamen van woorden en zinnen; Marie Kessels over een hartstochtelijk poserend naaktmodel

Marie Kessels: Een sierlijke duik. Uitg. De Bezige Bij, 147 blz. Prijs: ƒ 29,-.

In een van zijn Brieven van een aardappeleter legt Gerard Reve aan Jaap Goedegebuure uit dat een schrijver, hoe groot zijn oeuvre ook is, steeds maar weer hetzelfde boek schrijft. En vervolgens voorziet hij een aantal schrijvers van een thema, dat hij in een enkel woord samenvat. Bij Wolkers zou het gaan om driftbevrediging, bij Mulisch om macht en aanzien, bij Campert om leegte, bij Hermans om identiteit en bij hemzelf om verlossing. Of de schrijvers in kwestie het met deze typering eens zijn, is de vraag, maar verleidelijk is het wel, zo'n handvat.

Het is bij Marie Kessels, die pas haar tweede roman publiceerde, wat vroeg om haar al op een thema vast te pinnen, maar er is toch al een woord dat zich opdringt: het woord obsessie. Net als haar debuutroman Boa (1991) is Een sierlijke duik een aaneenschakeling van nogal dwingende gedachten. Ook deze keer sluit Kessels ons op in het eigenzinnige denkraam van haar hoofdpersoon. En ook nu is het onmogelijk om niet onder de bekoring te raken van de vele curieuze, heftige, geestige of agressieve, maar altijd bevlogen uitspraken die in deze innerlijke monoloog worden gedaan. Genadeloos maakt een 36-jarige vrouw, Lot genaamd, zichzelf tot object van onderzoek en experiment. Dat is niet alleen intrigerend, maar geeft je ook het wat onbehaaglijke gevoel door Kessels in een voyeursrol te worden gedrongen, om toe te moeten zien hoe iemand zich beurtelings in haar schulp terugtrekt en zich in haar volle lengte en breedte aan de wereld laat zien. Dat laatste is ook letterlijk het geval, want Lot is naaktmodel voor kunstenaars in opleiding.

Nu lijkt poseren een passieve aangelegenheid, waaraan voor een model weinig eer te behalen valt. Maar dan kent men Marie Kessels nog niet. Het poseren wordt hier voorgesteld als krachtdadig handelen, waarbij het model zichzelf niet ontziet. Pijn, jeuk, honger, kou, blauwe plekken, de weerstand en de onverschilligheid van docenten en leerlingen en nog veel meer ongerief neemt zij voor lief om inspirerende curves en mooie slingers te kunnen maken. Het poseren wordt hier zo serieus beleden dat het vanzelf tot kunst wordt, die niet onder hoeft te doen voor de meer gebruikelijke kunstvormen. Zelfs heeft de pose een streepje voor omdat zij zuiver is, geen hulpmiddelen behoeft om iets uit te drukken. ”Poseertaal' noemt Lot haar manier van communiceren, die zij zich tegen alle verdrukking in heeft eigen gemaakt. “Met de verschrikking van een medium heb ik zo niets te maken, met de vernederende logheid van krijtstrepen en inktvlekken en verfspatten niet, niet met woorden, die me met hun dikke vette lijven van mijn apropos brengen.”

Kessels schreef ook nu weer een hoogst eigenaardige roman. Het onderwerp is om te beginnen niet erg gebruikelijk en verder staat alles in dit boek zo'n beetje op zijn kop. Als geen ander weet Kessels begrippen een nieuwe, vaak tegengestelde betekenis te geven. Dienstbaarheid verkeert bij haar het liefst in agressie, onverdragelijke pijn in genot, beklemming in vrijheid. Niets spreekt hier vanzelf. Het is niet het publiek dat zich verlustigt in het naaktmodel, maar het is het model dat zich verlustigt in haar eigen naaktheid die haar niet kwetsbaar maar juist sterk maakt. Kessels model is een strijdbare vrouw, die vecht tegen haar vele angsten en zwakheden, maar ook tegen abstractere fenomenen als tijd en ruimte. Steeds houdt ze er rekening mee dat zij te licht zal worden bevonden op het podium en dat ze het uiterste zal moeten doen om haar positie te behouden. Dat leidt tot mooie, opzwepende en tegelijk bezwerende passages: “Vroeg of laat begint alles samen te spannen om me weg te krijgen, de ruimte, de grond en mijn gloeiende lichaam verbannen me, ieder op zijn eigen manier, er is geen plek die me niet verstoot. Voor het oog bewegingloos wend ik me in ijltempo tot iedere denkbare plek, vergeefs verzin ik listen om de ene of de andere te vermurwen, ze willen me niet, ik raas rond, ze willen me niet, ik moet me opheffen, ik kan me niet opheffen, ik moet me opheffen, ik bid en smeek, ze willen me niet, ik kan me niet opheffen, ik moet me opheffen, ik hef me op, ik vlieg... Dat is het wonder dat ik altijd zoek.”

Een luchthartig personage is dit naaktmodel bepaald niet. Zij piekert heel wat af, over de noodzaak tot afwisseling van haar poses, over haar toeschouwers, over haar geïsoleerde bestaan en over haar neiging om van zo'n simpel baantje een halszaak te maken. Toch is Een sierlijke duik wel het tegendeel van een loodzware roman waar men zich alleen zuchtend doorheen zou kunnen worstelen. Kessels levendige en directe stijl vormt een prettig contrast met de ernstige, existentiële inhoud van het boek. Over de praktische kanten van het poseren, de moeilijkheid bijvoorbeeld om lang in één houding te staan, laat zij haar model droogkomische uitspraken doen: “Een keer kun je gerust zeggen: Even de benen strekken, maar je moet niet aan de gang blijven, dat irriteert en veroorzaakt chaos, en als je op je gemak op een podium mag plaatsnemen en daar nog geld voor krijgt ook, geeft zoiets geen pas, het is voor iedereen plezieriger als ik nergens last van heb.”

Het poseren zelf maakt intussen niet het wezen uit van deze roman. Daarom is het ook niet vreemd dat het model in het laatste hoofdstuk besluit iets anders te gaan doen. Een sierlijke duik had ook over een kassajuffrouw, een typiste, een serveerster of een verpleegster kunnen gaan.

Marie Kessels moet het niet hebben van haar onderwerp of van een personage, maar van haar inzet en overgave. De roman drijft uitsluitend op haar vermogen om zich obsessief met allerlei verschijnselen en situaties in te laten en ze zich eigen te maken. Dat kan van alles zijn: nadenken over de liefde, het trekken van een portemonnee, het eten van een kokoskoek, het kopen van een hoed of het aannemen van een pose.

Zoals haar model zich toelegt op het belichamen van woorden en zinnen, zo doet Kessels op haar beurt niets anders dan woorden en zinnen bezielen. Zij geeft nergens blijk van een moralistische instelling, maar er valt toch wel een soort boodschap uit haar roman te halen. Die komt erop neer dat je beter kunt overdrijven dan je tevreden te stellen met een lauw compromis, dat je beter met volle overtuiging voor gek kunt staan dan je te voegen naar het saaie gemiddelde, dat je beter een eigenzinnig en intrigerend boek kunt schrijven dan een voor de hand liggend verhaal.