Grootinquisiteur

“Geloof jij in naastenliefde”, vroeg ik aan mijn jongste broer Alex, toen juist op datzelfde moment mijn oudste broer Ivan de kamer kwam binnen rennen. Hij zag bleek, zijn haar zat in de war en het was duidelijk dat hij in een staat van grote opwinding verkeerde.

Dat was vreemd, want wij kennen onze oudste broer als een mens met een gelijkmatig en laconiek karakter. Hij werkt als chirurg in het Academisch Ziekenhuis en onder zijn collega's wordt met bewondering gesproken over de vaste hand, waarmee hij het operatiemes hanteert. In zijn beroep wordt hij dagelijks geconfronteerd met ziekte en dood, met een onafgebroken stroom van menselijk lijden, maar toch is er slechts weinig dat hem uit zijn evenwicht kan brengen.

Maar nu stond hij te trillen als iemand die getuige was geweest van een groot onheil. “Ivan”, riep Alex, “kalmeer! Neem een stoel en vertel ons wat je is overkomen.” Met moeite ging Ivan zitten en pas nadat hij drie glazen cognac had gedronken, hervond hij iets van zijn gebruikelijke kalmte. Toen begon Ivan te spreken. Aanvankelijk stonden zijn ogen nog glazig en leken zij te turen in een onwezenlijke diepte, maar naarmate het verhaal vorderde, ontbrandde er een verterend vuur dat eerst zijn gezicht en vervolgens zijn hele lichaam in bezit nam.

“Vandaag”, begon Ivan, “heb ik een bijzonder zware operatie uitgevoerd, maar ondanks alle inspanningen is het mij niet gelukt de patiënt te redden. Somber en uitgeput wilde ik naar huis gaan, maar toen ik de lift uitstapte, zag ik Hem staan in de hal van het ziekenhuis. Hij stond stil, keek onnadrukkelijk om zich heen, maar merkwaardig genoeg herkenden we Hem onmiddellijk. Van alle kanten stroomden de zieken op Hem toe, sommigen kreupel hinkend met een been nog in het gips, anderen kwamen in een rolstoel of zelfs in een bed naar Hem toegereden. Spoedig stond een menigte om Hem heen, die Hem om genezing smeekte. Daarop wendde Hij zich naar een oude, blinde man die zich tot dusver afzijdig had gehouden. Hij legde Zijn hand op het voorhoofd van de blinde, en zie, de man sloeg zijn ogen open, beseffend dat hij het licht had teruggekregen.”

“Ivan!”, riep Alex opgewonden, “verklaar je nader! Je wilt toch niet beweren dat...”

“Ja”, antwoordde Ivan, “Christus is teruggekeerd op aarde.”

Er viel een stilte in de kamer en enige tijd keken wij zwijgend voor ons uit. Ten slotte vroeg Alex: “Vertel ons Ivan, wat heb je toen gedaan?”

Ivan haalde adem. “Instinctief”, zei hij, “begreep ik dat hier niets goeds uit voort kon komen. Ik heb Hem aan zijn oor gepakt en Hem het ziekenhuis uitgesleurd. Ik heb Hem meegesleurd naar de parkeerplaats waar mijn auto stond. Ik heb het portier opengerukt en Hem op de achterbank geduwd. Daarna ben ik zelf achter het stuur gekropen en vandaar heb ik Hem toegesproken. Tweeduizend jaar geleden, heb ik tegen Hem gezegd, bent u gekomen om ons te redden. U hebt ons de medische wetenschap gegeven om het eeuwige leven dichterbij te brengen. Wij hebben er alles aan gedaan om de oorzaak van ziekte en dood te ontsluieren. In ons zware werk hebben wij vele teleurstellingen ervaren, maar wij hebben ook successen gekend. Wij zijn niet volmaakt, zoals U, maar in een aantal opzichten hebben wij daadwerkelijk het lijden verzacht. Als U nu terugkomt, zal ons werk, Uw schepping, voor niets zijn geweest. De mensen zullen, naïef als zij zijn, weer denken dat genezing door handoplegging de beste methode is. Wat moeizaam is verwezenlijkt, zal in één klap worden weggevaagd. De mensheid zal, als U hiermee doorgaat, binnen de kortste keren teruggevallen in de duisternis van de Middeleeuwen. Voor mij zit er dus niets anders op dan U te ontvoeren en U in een afgelegen bos te vermoorden. Daarop drukte ik op de gaspedaal en scheurde weg.”

“Nee, Ivan!”, schreeuwde Alex, terwijl hij opsprong, “je gaat ons toch niet vertellen dat je dat ook echt hebt gedaan?”

Ivan snakte naar adem. “Toen ik bij het bos kwam”, stamelde hij, “was Hij verdwenen. De achterbank was leeg.”

“En heeft Hij al die tijd Zijn mond gehouden”, vroeg Alex.

“Door mijn achteruitkijkspiegel zag ik hoe hij zwijgend bleef glimlachen. Hij heeft eigenlijk maar één keer iets gezegd.” Hij zei: vertel de wereld dat mr. J.L. Heldring gelijk heeft.”