FNV constateert bij toewijzing bijstand rechtsongelijkheid

DEN HAAG, 19 MAART. Tussen gemeenten bestaan grote verschillen bij het verlenen van bijzondere bijstand. Mensen met een inkomen op bijstandsniveau zijn daardoor in de ene gemeente beter af dan in de andere. Sinds de bijzondere bijstand in augustus 1991 is gedecentraliseerd, “is de rechtsongelijkheid toegenomen”.

Dit concluderen de vakcentrale FNV en Konsumenten Kontakt (KK) na een onderzoek naar de uitvoering van de bijzondere bijstand, waaraan 19 gemeenten in de regio Midden Nederland hebben meegedaan.

Bijzondere bijstand is een regeling die gemeenten de mogelijkheid biedt inwoners met een inkomen op of omstreeks het bijstandsniveau (dat hoeft niet per se een bijstandsuitkering te zijn) een extra vergoeding te geven voor speciale kosten. Voorbeelden daarvan zijn de huren boven de huursubsidiegrens, de aanschaf van een rolstoel, taxikosten voor 65-plussers die niet van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken en renteloze leningen (leenbijstand).

Sinds augustus 1991 kunnen gemeenten de regeling voor bijzondere bijstand meer naar eigen inzicht toepassen, los van landelijke richtlijnen. Wel geldt overal dat de aanvrager van bijzondere bijstand naar draagkracht een eigen bijdrage moet leveren. Maar de gemeenten blijken verschillende methoden te hanteren om de draagkracht te berekenen. Zo bleek uit het onderzoek van FNV en KK dat een alleenstaande van 30 jaar met een inkomen van 1400 gulden in de ene gemeente wordt geacht een draagkracht van 350 gulden te hebben en in de andere 840 gulden. Dat leidt tot grote verschillen in eigen bijdragen.

Ook bij de leenbijstand kwamen verschillen aan het licht. Zo moet in de gemeente Woerden een alleenstaande 72 gulden per maand aan aflossing terugbetalen en in Vianen 97 gulden. Per jaar is de inwoner van Vianen daardoor 300 gulden meer aan aflossing kwijt dan de Woerdenaar. Omdat na drie jaar het restant wordt kwijtgescholden heeft de Woerdenaar 900 gulden minder hoeven af te lossen dan de inwoner uit Vianen in dezelfde omstandigheden. Verder bleek bijvoorbeeld dat 62 procent van de deelnemende gemeenten de contributie aan de kruisvereniging wel vergoeden en de rest niet; 50 procent vergoedde de kosten van een invalidenauto.

Bijzondere bijstand is een van de onderwerpen waar volgens de werkgroep Bijstand van de Tweede Kamer nader onderzoek naar moet worden gedaan. Deze Kamerleden hebben gisteren hun collega's de aanbeveling gedaan een eigen onderzoek te doen naar de algemene bijstandswet en het misbruik daarvan. Staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) laat daar ook al onderzoek naar doen; de werkgroep Bijstand wil onder meer de Algemene Rekenkamer inschakelen. De onderzoeken moeten op elkaar worden afgestemd om dubbel werk te voorkomen, aldus de werkgroep.

Het onderzoek dat de Tweede-Kamer naar bijstandsfraude gaat uitvoeren is het resultaat van een compromis tussen diverse fracties. Het CDA was voorstander van een parlementaire enquête, maar kreeg daarvoor geen meerderheid aan zijn zijde. De Kamer moet nu eerst inventariseren wat de onafhankelijke Commissie-Van der Zwan, die door Ter Veld is ingesteld, kan en gaat onderzoeken en ook wat via de Tweede Kamer aan de Algemene Rekenkamer kan worden uitbesteed. Wat dan vermoedelijk voor de Tweede Kamer resteert is een onderzoek naar de vraag of de "bewijslast' bij het verstrekken van uitkeringen kan worden veranderd: dat wil zeggen dat de cliënt van een sociale dienst meer dan nu moet aantonen recht op een uitkering te hebben.