Feyenoord zoekt tegen Spartak Moskou vergeefs naar plan, vorm en spelmaker

MOSKOU, 19 MAART. Eén vraag is na de nederlaag die Feyenoord gisteren tegen Spartak Moskou hoe dan ook overeind blijven staan. Namelijk deze. Is in het zompige Torpedo-stadion aan de Moskou-rivier het requiem voor het Nederlandse voetbal ingeleid of hebben we er de overwinningsmuziek van de Russische democratie mogen aanschouwen?

Met andere woorden: wat was belangrijker? Het feit dat Feyenoord, als laatste van de drie Nederlandse topclubs, met een 3-1 nederlaag overtuigend uit de Europacup werd geknikkerd dan wel het gegeven dat eregast president Boris Jeltsin van Rusland zich in de loge van het kleine stadion liet vergezellen door zijn minister van staatsveiligheid Viktor Barannikov ter linkerzijde en zijn minister van binnenlandse zaken Vikor Jerin aan de andere kant?

Een "ja' op de eerste vraag ligt vooralsnog eerder voor de hand dan een bevestigend antwoord op de tweede vraag. Wat de komst van Jeltsin, Barannikov en Jerin heeft betekend, moet nog gaan blijken. Maar dat het Nederlandse voetbal zich op dit moment niet kan meten aan zijn eigen pretenties, is sinds gisteravond nagenoeg onloochenbaar. Want na de smadelijke eliminaties van Ajax en PSV, heeft ook Feyenoord nu aangetoond dat het voetbal in Nederland niet meer is opgewassen tegen serieuze tegenstand. Spartak Moskou had dat twee weken geleden in Rotterdam al blootgelegd en heeft dat gisteravond opnieuw gedaan.

Het moet gezegd: de omstandigheden waren niet optimaal. De wedstrijd in de kwartfinale voor de Europa Cup II was niet alleen een dag uitgesteld, maar ook nog eens verplaatst naar het miniscule stadion van Torpedo dat slechts is toegerust voor het Russische competitievoetbal. Maar het zou te ver gaan om te concluderen dat vooral Feyenoord daar last van moet hebben gehad.

Voor de Rotterdammers mocht het dan een wedstrijd zijn op een grasmat die geschikter was voor speedway dan voor echte sportkunst, ze wisten van tevoren wel dat ze over veel meer "wedstrijdritme' beschikten dan tegenstander Spartak Moskou. De Russische competitie is immers nog niet eens begonnen. Het enige dat de Russische clubs de afgelopen maanden hebben kunnen doen, is voetballen in de hal of vriendschappelijke potjes in het buitenland spelen.

Ervan uitgaande dat de handicaps gelijk verdeeld waren, bleek gisteravond dat Feyenoord niet weet hoe het met zijn eigen zwakke punten moet omgaan. De elf Rotterdammers liepen bijna negentig minuten lang te zoeken naar een plan. Er was geen speler die zich wist te ontpoppen als een "superb reader of the game', zoals het Britse persbureau Reuters enige weken geleden schreef naar aanleiding van de transfer van Wim Jonk naar Inter Milaan.

Met Arnold Scholten op het middenveld leek het aanvankelijk nog wel enigszins te lukken om een strategie uit te zetten. Maar toen hij in de dertigste minuut het veld na een ongelukkige valpartij geblesseerd moest verlaten en werd vervangen door Dean Gorré, moest Feyenoord het middenveld definitief opgeven. Dat had tot rampzalige consequenties. Bij de stand 1-1 moest Feyenoord hoe dan ook scoren. Bij een overwinning van 2-1 zou Feyenoord de halve finale hebben gehaald. De ploeg zocht derhalve de aanval.

Maar via wie? Gaston Taument deed zijn best, maar kwam nimmer los van zijn tegenstander Dmitri Chlestov. Regi Blinker “verzaakte” eveneens, zoals coach Willem van Hanegem achter constateerde. Hij week steeds uit naar de linkervleugel, zonder er iemand tegen te komen en hield het numerieke overwicht van Spartak in de verdediging zo in stand. Rob Witschge probeerde dit probleem naarstig te compenseren. Maar het effect van al zijn gedraaf was gering: hij was overal en dus nergens. Spits Joszef Kiprich, de man die in de veertiende minuut voor de gelijkmaker had gezorgd nadat Spartak-middenvelder Valeri Karpin zeven minuten eerder de score had geopend, stond er moederziel alleen bij. Hetgeen zijn toch al niet flamboyante speelstijl nog eens extra accentueerde.

Na de rust ging Feyenoord dan ook steeds geïrriteerder spelen, libero John de Wolf voorop. Links er rechts werden er klappen uitgedeeld. De spelers van Spartak lieten zich daarbij zeker niet onbetuigd. Het verschil was alleen dat zij bleven kijken.

Een vrije trap op rechts betekende in de 82e minuut het genadeschot voor Feyenoord. Doelman Ed de Goey tikte de bal in eerste instantie nog aan, maar was kansloos tegen de droge inzet van middenvelder Igor Ledjachov die daarop volgde: 2-1.

Het hek was toen van de dam. John de Wolf en Fjodor Tsjerenkov, de hangende spits van Spartak, zochten en vonden elkaar. Van Gobbel ging zich er tot overmaat van ramp mee bemoeien. Dat had hij niet moeten doen. Want Tsjerenkov is in Moskou niet zomaar iemand. Nee, hij is de kunstenaar van het Russische voetbal, de Piet Keizer van Spartak Moskou, de man die het jarenlang heeft gedurfd om Vladimir Lobanovski (de wondercoach van Dinamo Kiev en het voormalige sovjet-elftal) te trotseren. Twee jaar lang heeft hij daarom geen bal willen aanraken. Pas vorig jaar heeft hij zijn recalcitrantie, dankzij de bescheiden coach Oleg Romantsev, van zich afgelegd. Hij had zich dus voorgenomen om Europa iets te laten zien en mepte derhalve terug. Twee rode kaarten waren de oogst: één voor Van Gobbel en de ander voor Tsjerenkov. De eerste vertrok te midden van enig racistisch geblaat, Tsjerenkov verliet het veld na enig dralen onder luid gescandeer van zijn naam.

Dat de razendsnelle linkerspits Dmitri Radtsjenko in de laatste minuut van de wedstrijd vervolgens nog kon scoren - en beeldschoon bovendien - omdat Feyenoord weer eens balverlies had geleden, was daarna nog slechts de bevestiging van het voorafgaande.

Willem van Hanegem onderging de nederlaag na afloop bij de kleedkamers allemaal gelaten. Spartak? Ach, dat was volgens hem slechts een “club die niets doet en alleen gebruik maakt van de fouten van de tegenstander”. Dat zijn eigen Feyenoord zich naar die slachtbank had laten slepen omdat het zelf niet over een “dragende speler” beschikt die een wedstrijd naar zijn hand kan zetten, dat wist hij al. “Zulke spelers zijn bijna nergens te vinden. Het zou dus wel heel gek zijn als er bij ons wel zo eentje rond zou lopen.”