Een zwembad in de winter

Van 23 maart tot en met 10 april speelt stichting Woods het toneelstuk "Er ging een badmuts' voorbij onder regie van Jim van der Woude in het Trusttheater, Heiligeweg 19 in Amsterdam. Toon Tellegen schreef een paar teksten voor dit stuk en kwam op het idee voor dit verhaal.

Midden in het bos was een gat in de grond. Op een ochtend zaten de olifant, de eekhoorn en de schildpad aan de rand van dat gat.

De olifant schreef met grote letters het woord OMHOOG op een stuk boomschors. De schildpad probeerde op de rand van zijn schild te staan. En de eekhoorn trok een gele muts over zijn hoofd, die veel te klein was en telkens wegsprong. “Laten we de lucht inklimmen”, zei de olifant, “en verdwijnen...” Hij was al bij de G en vroeg zich af of hij ook nog een pijl zou tekenen zodat iedereen kon weten waarheen dat bordje wees.

De schildpad stond eindelijk doodstil op de rand van zijn schild en fluisterde: “St. Niet denken nu....”

Maar de eekhoorn legde de muts naast zich neer, rilde en zei: “Laten we denken dat het zomer is.” “Dat is goed”, zeiden de anderen. Zij hielden van de zomer en zouden wel willen dat het altijd zomer was.

“Ik denk dat het toevallig net een hittegolf is”, zei de olifant. De schildpad wiste alvast het zweet van zijn voorhoofd en viel op de grond terug. “Ik denk”, zei de eekhoorn, “dat dit een zwembad is.” Hij wees naar het gat in de grond. "Voorzichtig!' riep de olifant. Hij zwaaide naar de denkbeeldige zwemmers en probeerde snerpend op zijn slurf te fluiten. De schildpad meende aan de overkant van het gat, in de schaduw, de slak te zien die behoedzaam zijn steeltjes in het water stak.

Ze dachten dat ze badmeesters waren en dat iedereen daar zwom: de tor, de egel, de neushoorn, de leeuw en zelfs de mol, die uit de grond was gekropen. Ze dachten dat hij riep: “Ik ben gestoofd!” en dat hij met een rare plons in het water sprong.

“Ze willen duiken”, zei de schildpad.

Ze pakten een klein boomstammetje en legden het op de rand van het gat.

“Ze willen ook echte golven”, zei de olifant.

Ze haalden golven te voorschijn uit het struikgewas en legden ze op de bodem van het gat.

“En ze willen dat het water glinstert”, zei de eekhoorn, en uit een klein kistje dat lang onder de grond verborgen had gelegen haalde hij glinsteringen te voorschijn en strooide ze over de golven.

“Ze zijn tevreden”, zei de olifant.

“Ja”, zeiden de anderen.

Ze letten goed op dat er niemand verdronk.

Het was een koude dag, en na een tijd verdween de zon achter donkere wolken.

“Nu gaan ze er uit”, zei de schildpad.

Ze fronsten hun voorhoofd, knikten en borgen de golven, de glinsteringen en het duikplankje weer op.

Toen bedachten ze dat het winter was en dat het begon te sneeuwen. Ze rilden en de olifant riep: “Waarom denk ik niet altijd alléén maar wat ik wil?”

De anderen zwegen.

Na een tijdje schraapte de schildpad zijn keel en zei: “Zullen we denken dat we jarig zijn?”

Even later dachten ze dat ze jarig waren en feliciteerden ze elkaar. En ze dachten dat er een reusachtige taart stond, tussen hen in, en dat het suiker sneeuwde, en dat ze smulden.

“Denken we nu dat we gelukkig zijn?” vroeg de schildpad voorzichtig.

“Ja”, zeiden de anderen. “Dat denken we.”