Een onstilbaar verlangen naar passie; Kester Freriks over de macht van de verbeelding

Kester Freriks: In zilveren harnas. Uitg. Meulenhoff, 175 blz. Prijs ƒ 32,50.

In de Nederlandse literatuur heeft Kester Freriks weinig zielsverwanten. De romantiek staat op een laag pitje en Freriks is een van de weinigen die het vuurtje gaande houden. Als rechtzinnig romanticus zoekt hij al zijn heil in de verbeelding. Dat was al zo in Hölderlins toren en nog sterker in zijn voorlaatste roman Domino uit 1988. Daar schiep de verbeelding steeds stukjes paradijs die er prachtig uitzagen maar noch bewoonbaar noch bestendig bleken. De hoofdfiguur kon er alleen maar als een weggejaagde Adam even naar kijken. In het scheppen van iets blijvends schoot de verbeelding steeds te kort. Misschien is daarom in de nieuwe roman de rol van de verbeelding duchtig ingeperkt. Over het scheppen van paradijzen wordt niet meer gesproken. De hoofdfiguur, Michael Hofstede, een jonge man die niets om handen heeft en het leven wil leiden van een dichter, roept wel om meer hartstocht en zijn klacht dat je het woord passiemoord nooit meer leest is een nauwelijks verhulde verwijzing naar de romanticus Slauerhoff: "En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord.' Ook naar Marsman wordt nogal eens bedekt verwezen. Het voornaamste doel van Hofstede is niet de romantiek van die dichters nieuw leven in te blazen maar de verbeelding zo te gebruiken dat die hem beschermt tegen aangrijpende emoties. Hij wil onkwetsbaar zijn voor leed en ongeluk. Hij is het al, denkt hij. Liefdesverdriet kan hem niet meer deren, melancholie bestaat niet meer. Hij denkt zich in hoe het moet zijn om door een geliefde in de steek te worden gelaten, en meent dat de kracht van de verbeelding hem immuun heeft gemaakt voor verdriet.

Dat klinkt allemaal erg simplistisch maar bij Freriks blijkt de verbeelding altijd problematischer te zijn en minder te kunnen dan ervan verwacht werd. In deze roman horen we steeds de stem van de verteller die veel kritiek heeft op Hofstede als romanticus: hij is vergiftigd door de allerslechtste lyriek, zegt de stem, hij heeft een misplaatst besef van drama, hij gedraagt zich schandelijk met zijn blootblaadjes en zijn gedroom over hoeren en als hij zich wil rechtvaardigen maakt hij gebruik van valse uitvluchten. Steeds dingt de stem van de verteller af op de zuiverheid van Hofstedes geloof in de verbeelding. Er is ook een tweede tegenstem die de vermeende zekerheden van Hofstede in twijfel trekt. Zijn vriend, Winfred Helmer, een journalist bij de plaatselijke krant in Herwaarden, is een realist voor wie alleen de werkelijke wereld bestaat. De regel van Lodeizen die Hofstede, net even verkeerd citerend, beschouwt als een leidraad voor het leven - "deze wereld is niet de echte, mijn vriend' - zegt hem helemaal niets.

Helmer en Hofstede redeneren met zoveel vuur dat het af en toe lijkt of ze uit een roman van Marsman of Du Perron zijn gestapt. Hun gesprekken over fantasie en werkelijkheid, het efemere en het blijvende vormen de kern van de roman. De twee zijn aan elkaar gewaagd al is het wel duidelijk dat Freriks het dichtst bij Hofstede staat, ook als zijn argumentatie tegen het sentimentele aan hangt: "Een meisje dat alleen hinkelt op straat? Doet me pijn.' Helmer had gemakkelijk kunnen antwoorden dat het meisje misschien graag alleen speelde of wilde oefenen zonder al die vriendinnetjes om zich heen, maar hij houdt zijn mond, of liever: zijn mond wordt gehouden. Freriks wil Hofstede laten winnen. Dat is overigens een uitzondering en meestal krijgt Helmer het recht van repliek. Helemaal voorspelbaar is de uitkomst van de redenaties nooit omdat geen van beiden strikt dogmatisch is en de standpunten elkaar op onverwachte ogenblikken raken. Daardoor zijn Hofstede en Helmer niet zozeer elkaars tegenpool als wel elkaars complement. Ook zijn ze waarschijnlijk de twee zielen die, ach, in Freriks borst wonen.

De intrige van het boek is wat aan de magere kant. Bij de Herwaardense krant komt een brief binnen van een meisje dat zegt lastig gevallen te worden door een jonge dichter die haar tot zijn muze wil maken, maar eigenlijk pas als ze dood is. Het meisje wordt vermoord en de vraag is dan of Hofstede, de dichter zonder oeuvre, zijn muze heeft gedood nog voor ze hem heeft kunnen inspireren. Niet voor niets duiken er tegen het eind van het boek een paar citaten van Achterberg op. Ook de bijfiguren komen niet erg tot ontwikkeling. Hofstede heeft een vage verhouding met het meisje dat hem zijn tijdschriften verkoopt maar we krijgen weinig idee van wat er in haar omgaat. Het tweede meisje dat hem aantrekt, is een van die onaanraakbare vrouwenfiguren die vaak in Freriks' boeken optreden: er wordt veel van hen verwacht maar ze geven niets en wat hen beweegt komen we niet aan de weet. Het boek moet het hebben van de gesprekken tussen Hofstede en Helmer en, afgezien van de symboliek, van het beeldend beschreven contrast tussen de donkerte van de Amsterdamse zelfkant en het lichte van het stadje aan de Waal.