Een ieder dwaalt in eeuwig onbehagen; De wijze en de woorddronken Lucebert

Veel poëzie van dichters die unaniem goed en mooi worden gevonden, is niet bepaald eenvoudig te begrijpen. In Van de roerloze woelgeest, de nieuwe dikke bundel van Lucebert, staan heel verschillende gedichten: glasheldere en tamelijk ondoorgrondelijke. Hoe moet een lezer zich tegenover zulke poëzie gedragen? “Niet bang zijn, soms het gezond verstand uitschakelen en soms toegeven dat de dichter met gezond verstand niet meer te volgen is.”

Lucebert: Van de roerloze woelgeest. Uitg. De Bezige Bij. 112 blz. Prijs ƒ 49,50.

Max Pam houdt niet van de poëzie van Hans Faverey. Hij begrijpt er niet veel van en hij heeft inmiddels besloten dat dat de schuld van de dichter is. Hij verdenkt hem ervan moedwillig duister te zijn. Kort na de dood van Faverey, in juli 1990, wijdde hij al eens een column aan zijn onbegrip. Een paar weken geleden deed hij het nog eens over, nu naar aanleiding van het verschijnen van de Verzamelde gedichten. Faverey's poëzie is moeilijk, en er helder over schrijven is nog moeilijker. De beschouwingen over zijn werk zijn vaak uiterst warrig en nog duisterder dan de poëzie zelf. En dikwijls stijgt er een geur van heiligheid uit op. Ze versterken Pams wantrouwen alleen maar. Voor zijn column hoefde hij niet veel meer te doen dan opnieuw enige ondoorgrondelijke passages van en over Faverey te citeren om zijn gelijk te ”bewijzen'.

Een fijn stukje was het niet, maar dat was vast ook niet de bedoeling. Het getuigde wel van enige moed en eigenzinnigheid, want sinds 1978 (Chrysanten, roeiers) is de grootheid van Faverey onomstreden. Pam wilde natuurlijk vooral prikkelen - en dat deed hij dan ook. Een week later besprak Robert Anker de Verzamelde gedichten in Het Parool en hij maakte dankbaar gebruik van Pams voorzet. De discussie laat zich raden. Pam ziet in Faverey een oer-Hollandse dichter, een kurkdroge geest die wanhopig probeerde diepzinnigheid te simuleren. Anker verwijt Pam op zijn beurt oer-Hollandse droogstoppelarij: een afkeer van alles wat het gezonde verstand te boven gaat, een gebrek aan gevoel voor poëzie en een gebrek aan inzet. In de moderne poëzie gaat het volgens Anker nu juist vaak om het benoemen van iets onbenoembaars. En wie daar niets van moet hebben, kan maar beter de krant gaan lezen.

Wie heeft er nu gelijk? De nuchtere Pam die argwanend wordt als hij het niet meer begrijpen kan of de voelende Anker die juist wantrouwig wordt als hij denkt dat hij het begint te snappen? Gelijk bestaat niet in poëzie, net zo min als in religie - en daar heeft de omgang met Favereys werk veel van weg. Het is eenvoudigweg een kwestie van smaak, dan wel geloof. Zelf ben ik ook belijdend lid van de kerk van Faverey, dus het ligt voor de hand om Anker in dezen meer krediet te geven. Maar ik kan toch ook wel begrip opbrengen voor Pams ergernis - al was het alleen maar omdat ik die uit eigen ervaring maar al te goed ken. Thuis, op mijn knietjes lezend in de Verzamelde gedichten, worstel ik ook heel wat af en vervloek regelmatig de schepper van al dat moois, omdat ik hem weer eens niet volgen kan. ”Ik hoor hoe het wiel stilstaat, want er is geen wiel': mooie regel, verrassende regel, grappige regel, aan het denken zettende regel, maar logisch gezien natuurlijk ook een onzinregel. Wie het, zoals Pam, bij die laatste constatering laat, doet Faverey geen recht. Maar dat geldt volgens mij ook voor wie, zoals Anker, zo'n regel leest en er dan de volgende quasi-uitleg aan geeft: ”Er draait ergens een wiel. Zolang het draait, horen we het niet (meer). Zodra het stilvalt en we het niet meer horen, merken we dat er een wiel draait, pardon: draaide, hoewel we het toen niet hoorden.'

Gezond verstand

De inzet van veel moderne poëzie is hoog, maar de relativering van dat hoge ligt ook al in die poëzie besloten. Dat verklaart veel van haar raadselachtige schoonheid, maar ook van de problemen die zij nog steeds oproept. Zij wil veel verschillende dingen tegelijk en zij wil vooral gebieden in kaart brengen die zich nu juist niet in taal laten vangen en zich aan de ratio onttrekken. Maar daarvoor moet zij gebruik maken van taal en van lezers die nu eenmaal geneigd zijn logische samenhang aan te brengen en die er niet anders dan in samenhangende zinnen over kunnen spreken. Het is de kunst niet te stoppen met lezen (Pam), niet de onbegrijpelijke dichter na te zeggen (Anker) maar iets daar tussen in: niet bang zijn, soms het gezond verstand uitschakelen en soms toegeven dat de dichter met gezond verstand niet meer te volgen is.

Een dichter die mij ook voortdurend aanzet tot schipperen tussen droogstoppelige ergernis en kritiekloze bewondering is Lucebert. Hij is al even onomstreden als Faverey. Kritiek is er sinds Bertus Aafjes niet meer. Bedenkingen zijn er evenmin, en als ze er zijn dan worden ze weggemoffeld onder een royaal gebaar van bewondering. In zijn bundels staan nog steeds allerlei verschillende soorten gedichten en het is onwaarschijnlijk dat iedereen die allemaal even geslaagd vindt, maar de reacties zijn nog altijd unaniem lovend. Het lijkt wel alsof ze niet meer gelezen worden, en indien wel, dan vooral als de bevestiging van een mythe die ergens in het begin van de jaren vijftig moet zijn ontstaan. J. Bernlef over de kennismaking met zijn poëzie in 1954: ”Voor de eerste keer voelde ik geen enkele behoefte om wat ik gelezen had te rangschikken tot een overzichtelijk geheel.' Aad Nuis, sprekend namens zijn generatie ”voor wie de bom van Luceberts poëzie insloeg in de gevoelige jaren rond de twintig', herinnerde zich later: ”Dat je soms met de beste wil van de wereld niet wist waar de dichter het over had, was niet zo belangrijk.' En de dichter zelf, in mei 1959: ”Ik vermoed dat niet veel mensen mijn werk verstaan. (-) Toch voel ik mij niet miskend.'

Ook Anker noemt Lucebert even, als een aan Faverey verwante dichter. Volgens hem is Faverey's ”ondoorgrondelijkheid absoluut niet groter dan die van Lucebert, maar zijn werk heeft als - tijdelijk - nadeel dat het zo volstrekt nieuw is, net als dat van Lucebert, veertig jaar geleden. We kennen zijn procédés nog niet en weten niet goed waar hij op uit is.' Daarmee suggereert hij niet alleen dat de gemiddelde poëzielezer Lucebert inmiddels wel in zijn zak zal hebben, maar ook dat het begrijpen van Lucebert en Faverey een kwestie is van procédés kennen.

Ik vraag het me af. Er schuilt zelfs een gevaar in Ankers voorstelling van zaken: dat het onbevangen lezen van gedichten vervangen wordt door het keurig herkennen van de procédés. En dan nog: de procédés van de moderne poëzie leerde ik op school eerder dan de poëzie zelf, maar dat heeft haar ondoorgrondelijkheid niet verminderd.

Desolaat

De volgende regels zijn van Lucebert:

je moet niet alleen de zin naast de

onzin bewaren je moet ook nog bedaard in beide

blijven geloven

Ze mogen, behalve als een goede raad voor het leven, ook wel opgevat worden als een bemoediging voor de lezer: je moet nu weer eens Ankeren, dan weer eens Pammen, en vooral de moed erin blijven houden. Ze zijn te vinden in Van de roerloze woelgeest, de nieuwe bundel van Lucebert, zijn derde sinds hij rond het begin van de jaren tachtig opnieuw begon te dichten: 88 gedichten dik, uitgegeven op groot formaat, gebonden, verfraaid met 12 tekeningen en 1 op het omslag, totaalgewicht 527 gram.

Zin en onzin zijn er volop in aanwezig en het wemelt er van de tegenstellingen, te beginnen bij de titel: een woelgeest is zelden roerloos. Afdelingen zijn er niet, en een ontwikkeling valt moeilijk aan te wijzen, behalve dan dat het begin somber is en dat het er in de loop van de bundel niet beter op wordt. Het openingsgedicht, ”stand van zaken', geeft een desolaat beeld van onze wereld, met regels als ”er komt geen einde aan het leed' en ”nooit is iets zonder geweld en nergens is het stil'. In de slotregels van het laatste gedicht (met de veelzeggende titel ”de nederlaag') wordt ons een uitzicht voorgeschoteld op een zo mogelijk nog desolatere wereld, een soort van hel waarin

(...) een ieder dwaalt in eeuwig

onbehagen zonder dageraad zonder lenteboden

zonder liefde zonder morgenrood zonder

jaargetijden zonder taal

De bundel bevat ook wel enkele spotverzen en wat dansjes, een oud herderslied en een pastorale, een portret van Duchamp, een vers voor Armando en enige niemendallen, maar over de meeste verzen hangt toch een floers van sloop en verval, puin en rune, van ”overgang naar ondergang', zoals een van de gedichten heet. Overal ligt de dood op de loer. Zo herinnert Lucebert zich Hans Faverey:

FAVEREY

ik herinner mij onze eerste

en tevens laatste ontmoeting

in een beroemd beroerd restaurant

twee die elkaar bloeddorstig

bespieden boven het anaemische eten

twee stokoude welpen van de muze

taal heeft geen verhaal meer

dat wisten wij zeg goede morgen

en de boze nacht breekt al aan

met goede nacht is het graf al

gegraven daarom geen afscheid

ook stijlbloemen overbodig

Het gedicht van de ene onbegrijpelijke dichter over zijn ontmoeting met die andere onbegrijpelijke dichter is curieus genoeg het meest heldere van de hele bundel. Beide dichters mogen dan als geen ander weten dat ”taal geen verhaal meer heeft' - het weerhield Lucebert er niet van een eenvoudig verhalend in memoriam te schrijven: deze keer zonder stijlbloemen, bij wijze van eerbetoon aan de sobere, zuivere stijl van Faverey. In het interpretatieve zouden we ons alleen nog even kunnen afvragen wat de dichters daar in regel 5 aten: vegetarisch menu? Of wordt met ”anaemisch' bedoeld dat het eten beroerd was bereid? En zo ja: wat zou de naam van het restaurant zijn?

Truc

”Faverey' is een voorbeeld van een vers dat met wat leestekens en hoofdletters eenvoudig omgebouwd kan worden tot een volstrekt normaal gedicht. Het is een oude truc waarmee heel simpel de experimentele Lucebert van de andere Luceberts gescheiden kan worden: zien we meteen waar de komma's en de punten moeten staan, dan kunnen we alle procédés vergeten en gewoon gaan lezen. Maar lukt dat niet, dan wordt het moeilijk. Neem het derde gedicht dat als titel een citaat uit Leopolds ”Cheops' heeft:

”DE RIJKE ROTSKLOMP...

DROOMENDE ONDER HET MARMERPANTSER'

okeren witte zwarte dromen

collage van kolos en worm

vurige ascese die groeit tot storm

van opulentie engel en held tronend

trots hoog op de apenrots

klodders brein en ketens worst

deelt de kannibaal uit ons te honen

wij die in gewoonten wonen

met een grote doodgewaande in de

borst vlezige sarcofagen door slopers

getorst

Twee maal vijf regels. Twee à drie rijmklanken: dromen - tronend - honen - wonen en worm - storm - rots - worst - borst - getorst. Binnenrijm alom (trots - apenrots) en veel allitteraties (klodders - ketens - kannibaal). Dus met de klank zit het wel goed. Maar waar gaat het over? Het gedicht zou iets met de piramide of met de weidse gedachtenvlucht van koning Cheops te maken kunnen hebben, want daarover gaat het gedicht van Leopold. Kolos is een woord dat in de context van de geciteerde regels voorkomt. Dus met de ”collage van kolos en worm' kan de piramide bedoeld zijn: de kolos verwijst dan naar de buitenkant, de worm naar het gebalsemde lijk in de sarcofaag in het binnenste ervan. Het machtige bouwsel is een resultaat van dromen, begonnen met vurige ascese (let op vurig en as) die is uitgegroeid tot een ”storm van opulentie' (vreemd woord voor: grote rijkdom). Het lijkt me dat tussen opulentie en engel een punt gedacht moet worden. Bij de bouw keek men, zoals bekend, niet op een dubbeltje. De megalomanie van de koning lijkt door de dichter geroniseerd te worden. Hij mag dan wel engel en held zijn (ik verzin maar wat) en hij mag dan wel trots hoog tronen - zijn schepping, een van de zeven wereldwonderen, wordt hier schamper vergeleken met niet meer dan een apenrots. Zijn wij de apen? Of verwijst apenrots naar de sociale misstand dat honderdduizenden arme Egyptenaren voor de bouw werden ingeschakeld? Of naar de toeristen die nu de piramide beklimmen, als apen op een rots?

Ontluistering van hoge idealen lijkt mij een mogelijke boodschap - zeker als na de witregel opeens een kannibaal het gedicht binnenkomt. Syntactisch wordt het dan ingewikkeld. Deelt de menseneter lichaamsdelen uit? En hoe komt hij daaraan? En doet hij dat om ons te honen? Is hij familie van de slopers die in de laatste regel worden genoemd? Bij die slopers kunnen we denken aan grafschenners en piramiderovers in het verleden, maar ook aan de praktijk van het moderne uitvaartwezen: doodskisten die door kraaien worden gedragen. De precieze betekenis blijft onduidelijk, al vergoedt de formulering veel. Worden wij ”die in gewoonten wonen' vergeleken met Cheops? Of met diens piramide? Dragen wij allemaal ”een grote doodgewaande' in ons mee - en zo ja: wie is dat dan? God misschien? Of zijn wij tijdens ons leven al wandelende doodskisten, nog even overeind gehouden door onzichtbare slopers die in ons lichaam alvast met hun werkzaamheden begonnen zijn?

Spectaculaire mogelijkheden genoeg en genoeg zwemen van mogelijke betekenissen: dood, verval, ontluistering, de mens is een aap (dan wel een engel, een held, een kannibaal, een sloper), hoogmoed komt voor de val, eeuwigheid bestaat niet, enzovoort. Voor wie aan een half woord genoeg heeft, is dit een prachtig gedicht, maar mij stelt het nogal teleur - ook omdat ik, zoals wel vaker bij Lucebert, het gevoel heb dat er zoveel meer had ingezeten. Door de vele betekenissen heen schemeren de contouren van een gedicht dat de Cheops van Leopold zou kunnen evenaren, maar het blijft in aanzetten steken. Het is zelf ook een vlezige sarcofaag door slopers getorst.

Buitenschot

Verder interpreteren heeft vermoedelijk weinig zin. Dat leidt maar tot ellenlange beschouwingen, nijvere close-reading-verslagen die braaf alle mogelijkheden in kaart brengen zonder tot oplossingen te komen. Er zijn genoeg voorbeelden van, steevast eindigend met het respectvol citeren van de dichter zelf, sprekend over zijn schilderkunst: ”alle opvattingen waardeer ik gelijkelijk, tussen motieven maak ik geen keuze en ik streef niet naar syntheses, tegenstellingen blijven bij mij rustig aangesteld en terwijl ze elkaar weerstreven, pleeg ik geen verzet, blijf ik buiten schot en beleef de vrijheid die alleen zij mij aanreiken (-)'.

Vrijheid

De lezer heeft op zijn beurt weer de vrijheid om niet altijd even geboeid te zijn door wat Lucebert hem aanreikt. Spreken wij in dit geval dus van een mislukt gedicht, maar met glanzende mogelijkheden. Van dat type zijn er in Van de roerloze woelgeest veel te vinden. Lucebert is - overeenkomstig zijn kernloze manier van werken - vooral een dichter van mooie woorden, losse regels, serieuze en komische sententies die heel goed uit hun verband (dat er vaak niet is) te lichten zijn. ”Er blijft altijd wel iets steken/ in de eeltige zolen van je ziel' is zo'n wijsheid, uit een gedicht met de titel ”er blijft altijd wel iets plakken aan je hakken' (en dat is er ook een). Of: ”als het intellect slaapt werkt nog altjd de wil'. Of: ”meer zien dan men ziet ziet men nooit'. Deze wijze stelligheid is weer in tegenspraak met het ongecompliceerde spelen van woordspelletjes: de bergen rijzen hem ten hare, met dorre vlag vlagt de vlaggeman, een kosthuis wordt een kotshuis, een ijdeltuit van adel een adeltuit, naast de bierbuik zien we de sierpruik, de sjamaan wordt gewassen met snorremoes, met alle hottehozenkotetottelettevlekken vandien.

Zoals uit deze voorbeelden blijkt zijn er in ieder geval twee Luceberts. De ene is een wijze, traditionele dichter die sombere uitspraken doet over het menselijk tekort. De andere is de woorddronken dichter die zich graag laaft aan de bron van de taal en in zijn roes mooie, maar duistere zinnen zegt. Soms komen ze elkaar binnen één gedicht tegen, soms niet. Het vreemde is dat Luceberts reputatie vooral berust op zijn experimentele roezigheid. Toch zal de voorkeur van bijna iedereen inmiddels uitgaan naar zijn verstaanbare, persoonlijke poëzie. Vraag duizend lezers naar hun favoriete gedicht uit Van de roerloze woelgeest. Hun top-tien zal bestaan uit verzen als ”stand van zaken', ”schimmenspel', ”schuttersstuk', ”landjuweel' en ”herfstrust': stuk voor stuk heldere gedichten, portretten vooral.

Lees de nieuwe bundel van de klassieke, tijdloze dichter Lucebert. Lees bijvoorbeeld ”het verbond'. Het is optimistisch. Het gaat over God. En over dat alles ooit weer goed komt: te vernietigen is niets en niemand.

HET VERBOND

hij slaapt met volmaakten en maden de heer der hersenen en zaden zo goed als ook het verwenste kind door hem wordt bemind

wat de profeten en de zieners zagen was het gedegene van het illusoire tot faam verheven een nieuwe naam gegeven brachten zij de droom tot leven

al brandt diep het grote verdriet te vernietigen is niets en niemand de afgrond baart het hoogland aversie de liefde om niet

zoals eens uit chaos het beest verrees dat groef tot in het bodemloze maken we ons op te vieren het feest de echt tussen het schone en het voze

LUCEBERT