Een aan alle kanten slobberende jas; Het naturalisme in de schilderkunst

In zijn boek over het naturalisme hanteert Gabriel P. Weisberg twee criteria voor deze stroming: de schilderijen moeten in verband kunnen worden gebracht met de fotografie en het arbeidersleven moet te zien zijn.

Gabriël P. Weisberg: Beyond Impressionism. The Naturalist Impulse in European Art 1860 - 1905. Uitg. Thames and Hudson, Londen. Prijs ƒ 117,80 (Importeur Nilsson & Lamm).

Ongeveer tegelijk met de bloeiperiode van het impressionisme in Parijs ontstond in heel Europa een andere stroming van schilders die op groot formaat sterk realistische genretaferelen met sociale thema's gingen schilderen. Enorme doeken van boeren met doorgroefd gelaat, grauwe fabrieksarbeiders, sterke vissers, maar ook lieflijke taferelen van arme maar gelukkige gezinnen, bleke jongetjes die in helder blauwe rivieren spelen of blote dames in het struikgewas. Die heropbloei van de realistische weergave kwam in allerlei uithoeken voor, van het Noorddeense vissersdorpje Skagen tot diep in Frankrijk, Engeland, Hongarije en zelfs in België. Voor het eerst zijn nu deze naturalistische tendensen als een aparte stroming in de kunstgeschiedenis gepresenteerd. Ondanks de belofte van de auteur, Gabriel P. Weisberg, dat voor wie dit boek leest het traditionele beeld van de avantgarde voor altijd op zijn kop zal staan: om een erg coherente stroming gaat het niet. De kunstgeschiedenis behoeft niet te worden herschreven.

In 1981 kreeg de tentoonstelling The Realist tradition die door Gabriël P. Weisberg in Cleveland was georganiseerd, van kunsthistorische zijde internationaal opvallend veel kritiek. Weisberg pakte hier een fundamenteel probleem aan met betrekking tot de kunst van de tweede helft van de negentiende eeuw. Het kwam erop neer dat hij probeerde het geaccepteerde beeld te doorbreken van het impressionisme als de centrale stroming van het modernisme in de beeldende kunst. Hij deed dat door er een brede gelijktijdige realistische/naturalistische stroming tegenover te stellen die parallel liep aan de bloeiperiode van het impressionisme. Volgens Weisberg waren vele van de realistische, zeer illustratief werkende schilders die hij op zijn tentoonstelling liet zien, in hun tijd minstens zo revolutionair geweest als de avantgarde. Ze waren ten onrechte verdrongen door kunstenaars voor wie abstractie, persoonlijke visie en onvoorwaardelijke vrijheid voorop stond. Zijn tentoonstelling was een kwestie van rehabilitatie dus, zoals die tegenwoordig op alle niveaus in de kunstgeschiedenis voorkomt. Omdat de onderwerpen ”op' lijken te raken. Of omdat de smaak verandert.

Het is niet verwonderlijk dat een strijdbare kunsthistoricus als Linda Nochlin destijds moeite had met Weisbergs opvattingen. In haar standaardwerk over het realisme uit 1971 hangt zij juist de stelling aan dat er inhoudelijk gezien een directe lijn loopt van het realisme van Courbet naar het impressionisme. Verder werd er door de geleerde critici op gewezen dat Weisberg een fundamentele fout maakte en realisme en Realisme door elkaar haalde. Met een kleine letter kan de term op alle realistische tendensen door de eeuwen heen slaan; met een hoofdletter gaat het om de specifieke stroming in het midden van de negentiende eeuw. Een andere terugkerende klacht van de tegenstanders (onder meer genoemde Nochlin, Kirk Varnedoe, Charles Rosen en Henri Zerner) was, dat in hun ogen tweederangsschilders als Ribot of Bonvin nauwelijks vergeleken kunnen worden met Manet laat staan dat ze beter en belangrijker zouden zijn, zoals Weisberg suggereerde. Kortom, in de kritieken op The Realist Tradition stond de kwestie van de kwaliteit centraal.

Saai

In zijn nieuwe boek Beyond Impressionism. The Naturalist Impulse in European Art 1860-1905 lijkt het of Weisberg wat is teruggekomen op zijn vorige exceptionele standpunten. Toen had hij zijn thema als het ware een veel te grote, aan alle kanten slobberende jas aangetrokken, wat een potsierlijk effect had: voor hem stond het realisme gelijk met elke vorm van weergave van het dagelijks leven tussen 1830 en 1900. Op het eerste gezicht lijkt het nieuwe Thames and Hudson-boek over het Naturalisme een op maat gesneden colbertje in een beschaafd ruitje, saai en risicoloos. Toegespitst op de periode 1860 tot 1905 en losgemaakt van het officiële Realisme lijkt het Naturalisme in de beeldende kunst nu een gevestigde stroming-met-een-hoofdletter, waarvan de algemene kenmerken in heel Europa zijn terug te vinden, van het noordelijkste puntje van Jutland tot op het Hongaarse platteland en nog veel verder. Dat belooft de inleiding tenminste. Je ziet steeds dezelfde soort dramatische scènes: het dagelijks leven van arme lieden, liefst op groot formaat en met minutieuze penseelstreek weergegeven.

Maar bij nadere beschouwing gaat Weisberg ook nu weer veel te generaliserend te werk en lijkt hij zijn onderwerp nauwelijks te kunnen inperken. Hij heeft slechts twee criteria voor het Naturalisme, dat volgens zijn visie een moderne stroming is. Het eerste wordt technisch bepaald: als een werk maar in verband gebracht kan worden met de fotografie zit het blijkbaar goed. Hoe preciezer geschilderd, hoe wetenschappelijker de benadering, hoe beter het in zijn beeld past. Het tweede criterium is inhoudelijk en vooral literair. Kort gezegd, als een schilderij bij wijze van spreken als illustratie zou kunnen dienen bij de sociale romans van Emile Zola kan het bij Weisberg zonder voorbehoud in zijn boek. Misère, heroïek van het arbeidersleven, altijd goed. Die brede selectie doet sterk denken aan Weisbergs vorige, postmodernistische boek, de catalogus bij de tentoonstelling uit 1981. Met andere woorden, het naturalisme in de schilderkunst blijft hier ondanks de gedreven beginselverklaring van Gabriël Weisberg gewoon een stroming die zo algemeen is dat hij uitsluitend in een kleine letter-variant bestaat.

Maar daarbinnen zijn aardige ontdekkingen te doen. De schilder Emile Friant (1863-1932) uit Nancy mag dan een regionalist zijn, hij geeft mooie momentopnamen van een dagelijks leven dat grimmig had kunnen zijn maar idyllisch is geworden door het milde oog van de kunstenaar. Ook is het mooi om te zien hoe nauwkeurig figuren als Jules-Alexis Muenier en Charles Baude, de Zweed Anders Zorn en de Belg Louis Pion met de fotografie omgingen en letterlijk snapshots schilderden van authentieke huiselijke dan wel landelijke taferelen.

Wat Nederland betreft heeft Weisberg zijn huiswerk helaas slecht gedaan. Als preludium op de situatie in België stelt hij zwakjes dat in Nederland alleen enkele aquarellen van Anton Mauve, zoals Het schapen scheren, met de grootste slag om de arm in het Naturalisme als moderne stroming passen. Verder werden in ons land uitsluitend op Barbizon en de Hollandse zeventiende eeuw geïnspireerde landschapjes gemaakt. Maar waar zijn dan bijvoorbeeld Therèse Schwartze, Wally Moes, A.H. Bakker Korf, H.J. Haverman, Jozef Israëls, om maar wat voorbeelden te noemen? Stuk voor stuk zijn ze niet slechter dan de Fransen of Hongaren die we op ons bord krijgen. Ook Isaac Israëls en Breitner zouden in Weisbergs optiek onder het Naturalisme kunnen worden gerekend. Maar ook zij ontbreken.

Weisberg streeft ernaar het sterk Frans gekleurde beeld van de avantgarde te doorbreken en geeft derhalve een breed overzicht van naturalistische tendenzen in heel Europa. Zoals hij dat nu doet is daar een belangrijk bezwaar tegen in te brengen. Wat niet deugt is dat Weisberg, die het romantisch over kunstkolonies en regionale scholen heeft, het probleem van het nationalisme zonder meer overslaat. Een ”naturalistische' Fin als Albert Edelfelt is daar bijvoorbeeld niet van los te denken, evenals de Belgische ”fotorealisten' dat zijn.

Aplomb

De kracht van het boek ligt overigens tegelijkertijd ook in die algemene internationale verbanden. Wie een ”slice of life' van de vorige eeuw voorgeschoteld wil krijgen, wie van nostalgische, vaak vertederende maar soms ook kitscherige plaatjes houdt kan zo te zien in alle landen terecht. Maar gelukkig is het boek juist door het brede verband ook een aanvulling voor wie Emile Claus, Rafaëlli, Anders Zorn, Wilhelm Leibl, Peder Severin Kroyer, Max Lieberman op waarde weet te schatten. Een herwaardering in onze tijd van het sentimentele, sociaalrealistische of fotorealistische genre - of hoe je het naturalisme in de schilderkunst ook kunt omschrijven - betekent echter absoluut niet dat Weisberg doet wat hij aan het begin van zijn boek met veel aplomb aankondigt, namelijk het herschrijven van de kunstgeschiedenis van de late negentiende eeuw. Integendeel. De gemiddelde kwaliteit van de naturalistische meesters onderstreept de kracht van de gangbare visie op de wortels van de moderne kunst.