Decadentie voor de duizenden; Portretten en polemieken van Joost Zwagerman

Joost Zwagerman: Collega's van God. Uitg. De Arbeiderspers, 236 blz. Prijs 34,90

Deze krant heeft een kinderpagina, dus, zo kan men zich afvragen, waarom geen adolescentenpagina? Daar zou, ook in het Cultureel Supplement, alle aanleiding toe zijn, aangezien duidelijkheid een groot goed is en de grenzen tussen wat vroeger voor de opgroeiende jeugd geschreven heette en wat we gewoon literatuur plachten te noemen aan het vervagen zijn. Deze recensie zou dan op die pagina thuishoren want hij gaat over het nieuwe boek van Joost Zwagerman.

Zwagerman is een fenomeen in de Nederlandse literatuur, AKO-nominé wiens romantitels figureren op bestsellerlijsten en bioscooppuien. Zwagerman is zelfs wellicht de spreekbuis van een generatie, doelgroep niet alleen van een literatuur, maar zelfs van de televisie blijkens het programma met de ondoorgrondelijke titel Lolapaloeza (concurrent van Hei elei kuck elei), een generatie voor wie het bereiken van de dertigjarige leeftijd reden is zich voor te doen als zeventien.

In zijn nieuwe boek, de oogst van zes jaar portretteren en polemiseren, portretteert Zwagerman zich als exponent van een verloren generatie. Dat is een oud begrip, maar het wordt hier herijkt om aan te geven dat men een bepaald soort popmuziek niet op de bijpassende leeftijd heeft kunnen savoureren. "Wie geboren is in het begin van de jaren vijftig, is', volgens Zwagerman, "te benijden.' Ik weet waar hij over praat. Woodstock, het witte album van de Beatles, de Velvet Underground, de doorbraak van piepjonge Bowie, allemaal meegemaakt. Hij niet. En voor "house' is-ie weer te oud. Men begrijpt zijn probleem.

De geschiedenis dezer intelligentie is het tragische verhaal van Mud en The Rubettes, Pink Floyd en Genesis, Suzie Quatro en Gary Glitter, Boney M. en The Three Degrees, en wie zou ontkennen dat dat een woestijn is. Met punk als enige pleisterplaats, bevolkt door Talking Heads ("eindelijk muziek met een arty inslag') en Blondie ("eindelijk een pop-art-achtige vrolijkheid; eindelijk een eigen sekssymbool'). "Nee, het was bekeken voor de generatie van 1960-1965. "Born in the Sixties' en voor de zoveelste maal tussen wal en schip beland.' Nogmaals, het probleem is glashelder.

Maar er was één figuur die het gemis deed vergeten en dat was Prince. Prince, "een verbluffende componist en instrumentalist' was "verkwikkend obsceen', "devoot', "lyrisch, hysterisch, ironisch en campy'. Die Prince ken ik dus ook en wie ooit - en wie van mijn generatie heeft dat nou niet - The Romantic Agony van Mario Praz gelezen heeft, weet wat Prince is: een epigoon zou Ter Braak zeggen, een slap aftreksel, decadentie voor de duizenden. Maar zeker een romanticus en als zodanig herkend door de generatie van Zwagerman.

Romantiek is altijd al een problematisch sentiment geweest, hoofdzakelijk reactief, de uiting van een onbehagen, van een ongenoegen over wat normaal was vooral. Romantici ervaren de dagelijkse werkelijkheid als vervelend, een mechanisch wederom van steeds hetzelfde. De reactie hierop is het romantisch gevoel voor het abnormale, voor het nonconformisme, een ontembare begeerte iets ongehoords te doen, iets nooit vertoonds te zien. Het werd er meestal niet beter op, overigens, de wereld niet en de literatuur niet.

Dat sentiment is van alle tijden en het lijkt de tegenhanger ervan, het gevoel voor wat klassiek, sober, licht, helder en eenvoudig is, meer en meer te verdringen. Die twee sentimenten of stromingen, hoe men het noemen wil, brachten twee verschillende soorten schrijvers voort. Romantici zijn scheurmakers en programmaschrijvers. Ze wanen zich god zelf en als hun lichaam en hun omgeving niet overtuigd blijken wensen ze toch minstens god in de hemel de baard te schroeien. Klassieke auteurs zien zichzelf onderdeel van een traditie. Ze stellen weliswaar zeer hoge eisen aan het schrijverschap, maar één daarvan is zelfkennis, grensbesef.

Dat zijn geen categorieën waar Zwagerman mee uit de voeten kan, noch met betrekking tot zijn idolen, noch voor zichzelf. Onder die idolen, de "collega's van god', bevinden zich onder anderen J.D. Salinger, Henry Miller, Madonna, Prince en Warhol. Het nadeel van die kunstenaars is het nadeel dat kleeft aan handboeken. Die handboeken, of die nu gaan over literatuur, beeldende kunst of muziek, staan vol met lieden die zo aardig een periode of stroming illustreren. Ze worden bevolkt door de smeders van slogans, de maniëristen. Salinger staat voor puber, Miller voor seks en als ik het wel heb die drie anderen voor allebei, maar daarmee zijn het nog geen boeiende kunstenaars.

En Zwagerman weet er ook geen boeiende dingen over te vertellen. Hij vindt er veel voor te zeggen "dat J.D. Salinger en Henry Miller model kunnen staan voor het klassieke onderscheid tussen de apollinische Feingeist en de dionysische avonturier'. Dat lijkt mij zoiets als het onderscheid tussen een staatsman en een politicus gellustreerd aan de hand van Relus ter Beek en Erica Terpstra.

Er zitten wonderlijke burgermansopmerkingen in het boek, zoals naar aanleiding van Gerard Reve. Naar overtuiging van Zwagerman is het feit dat de Katholieke Universiteit van Nijmegen een doctoraalcursus "Zingeving en religie rond het werk van Gerard Reve' organiseerde een eer te noemen, vooral ook omdat er door echte theologen gesproken werd. Hele eer! En wat te denken van de zin: "Steunebrinks strikt postmoderne behandeling van Oud en Eenzaam roept de vraag om een intertekstuele studie van zijn romans op.' Ook de meer dan brave poging om, in een stuk over Schopenhauer, het Ding an sich uit te leggen doet het beste hopen van de domesticerende werking van de cultuur.

Zoals een goed romanticus betaamt is Zwagerman ook programmist, woordvoerder van de maximalen, schrijver van polemieken tegen de fijndichters, als ik ze zo mag noemen. Nu loop ik ook niet te hoop - gesteld dat je dat in je eentje zou kunnen - voor de poëzie van Robert Anker of Tom van Deel, maar honderd maal liever het gehakkel van Anker of de moeite die Van Deel heeft met het zetten van een leesteken dan die malle luidruchtigheid van de maximalen. Men kan die poëzie, lijkt mij, niet anders beschouwen dan de literaire tegenhanger van headbanging in de muziek. "Geen reden, geen verhaal' begint het gedicht dat wellicht zijn naam gaf aan deze stroming en je denkt: nee, inderdaad. De strofe eindigt met "finaal, totaal, banaal' en Zwagerman noemt dat "het perfecte evenwicht tussen plechtige poëzie en platitude'. Zijn pamflet, zijn boek ook, eindigt met de zin: "De maximale dichter is de kransslagader van de monarchie van de poëzie.' De dichter die een kransslagader is, denk je. De kransslagader van de poëzie, probeer je. En je hoopt dat je het snel vergeet.