De wereld geplet; De keurige sandwiches van Ger van Elk

De ondertitel van de tentoonstelling van Ger van Elk klonk veelbelovend: "persen, drukken en trekken'. Manhaftige werkwoorden. Ook de afbeeldingen van de Sandwiches, waarin bijlen met de beeltenis van Van Elk waren geslagen, of de enorme opzijgevallen vagina maakten benieuwd naar de ervaring die de tentoonstelling de bezoeker zou kunnen bezorgen. “Je begreep dat de planken eens met veel kracht naar elkaar toegebogen waren, en je staarde naar datgene wat zo plettenswaardig geacht werd te zijn.”

Sandwiches, museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam, t/m 25 april.

De tentoonstelling van de gevaartes die Ger van Elk heeft gemaakt voor het Boymans-van Beuningen-museum in Rotterdam, deed me beseffen hoe riskant het kan zijn om iets ook werkelijk te gaan bezichtigen.

Deze kunstwerken hebben de noemer Sandwiches gekregen, en ik had er in de bladen al een flink aantal afbeeldingen van gezien. Mooie detailopnames van cirkelzaagbladen gedreven in een boomstam. Op de bladen waren neuzen afgebeeld, precies evenveel neuzen als snijkartels. Het waren de neuzen van de kunstenaar zelf. Geestig als een woordspeling, en tegelijkertijd ook spannend. Zoals ook de reusachtige vrouwenvingers met aanplaknagels die werden samengeperst tussen plakken hout. En de ronde, pornografische plaatjes geklemd tussen planken die door de ovaal die ze vormden aan een opzijgevallen vagina deden denken, maar ook aan een op zijn kant gelegde kano.

Het was op voorhand moeilijk te bepalen hoe groot deze kunstwerken zouden zijn. De mededeling: 71x263 cm zegt weinig als je een slecht ontwikkeld ruimtelijk voorstellingsvermogen hebt. Formaat is altijd moeilijk voor te stellen. Leo Vroman heeft eens opgemerkt dat we moleculen en melkwegstelsels in gedachten even groot afbeelden. Namelijk: zo groot als nodig om ze voor te stellen. Op een of andere manier maakte ik Van Elks vreemde voorwerpen in gedachten even groot als ze moesten zijn om indruk op me te maken, en me te verheugen op een bezoek aan het museum.

Ik las dat de tentoonstelling als ondertitel "persen, drukken en trekken' had gekregen, en ook dat intrigeerde me, ofschoon het me ook een beetje ongerust maakte. Het zijn manhaftige werkwoorden, die deden denken aan de keer dat ik op een autosloperij een schijnbaar ongehavende Opel Kadett tot een pakje staal geplet zag worden, en mij voorstelde dat er een slapend kind in was achtergelaten. Ik begreep in ieder geval dat ik door naar deze tentoonstelling te gaan midden in mijn tijd zou komen te staan. Dat was namelijk de suggestie die uitging van de reprodukties en hun begeleidende commentaren: er is van alles teveel, speciaal van kunst en beelden en bekoring, en deze kunstenaar had zich bezonnen op een vorm die dit alles zou pletten. Het zou een kunst opleveren die samenvattend zou zijn, rücksichtslos en becommentariërend, en de kunstenaar zou zichzelf daarbij niet sparen, want ook zichzelf zou hij pletten, althans: zijn ingelijste evenbeelden, in een constructie genaamd "Pressure Sandwich Sculpture I'.

Wat me het meest intrigeerde was dat Ger van Elk een daad aan het stellen was. Ik ging er niet helemaal van uit dat hij een variatie op het evangelie nastreefde, en zich zou nagelen aan een kunsthistorisch kruis, maar het wees allemaal in de voorbeschouwingen toch wel in die richting. Zoals Jezus de onjuiste gelovigen uit de tempel joeg, zo zou Van Elk onze kijkconventies en ook de visuele vrouwelijke bekoringen pletten, alsmede zichzelf kastijden en wie weet zelfs naar een offerplaats voeren, en het werktuig van deze zelfkastijding zou een aantal planken zijn, en bouten, en moeren. "Aangenaam is de vorm noch de inhoud', las ik van tevoren.

Neuzen

Waarom was de tentoonstelling na dit alles een danige teleurstelling? Waarom verliet ik na een half uurtje het gebouw zonder het gevoel er in geweest te zijn? Ik had toch anderhalf uur gereisd, en mij verheugd, voorzover je je op pletten verheugen kunt? Hoe dan ook: tijdens mijn aanwezigheid in de immense, grijze zaal van het museum wilden de kunstwerken van Ger van Elk maar niet loskomen van de afbeeldingen die ik al van ze had gezien. Het kwam er op neer dat de werkwoorden pletten, persen en trekken op geen enkele wijze via deze voorwerpen een ervaring van pletten, persen of trekken veroorzaakten. Je zag de bouten en de moeren, je begreep dat de planken eens met veel kracht naar elkaar toegebogen waren, en je staarde naar datgene wat zo plettenswaardig geacht werd te zijn: landschapsschilderijtjes, ingelijste portretten (maar dan gefotokopieerd) van Grote Denkers, de neuzen van Van Elk zelf, en ook zijn voeten (beiden gefotografeerd), de reuzenagels, de slierten witte verf - en je dacht om te beginnen: waarom is dit alles zo keurig?

Van de agressie die de voorbeschouwingen zo kordaat en intrigerend hadden gemaakt, was niets te merken. Alles wat een Daad had zullen zijn was verwaterd tot afbeelding, illustratie, gedachtenkronkeltje. De bijlen met de beeltenis van Van Elk erop waren helemaal niet in het hout gedreven, maar kunstig en sereen bevestigd. Het hout van de boomstam was met voorbedachten rade zo bewerkt met verf dat het geen boomstam meer leek, maar, ja wat? De Boomstam? Of juist: de Reproduktie van een boomstam. Of "boomstam'? Alles leek tussen aanhalingstekens te staan. De veelgeroemde katapult die de bijl annex beeltenis van Van Elk onder een ondraaglijke spanning had zullen zetten hing zowat slap. De Allesvermorzelende Houten Kut leek nog het meest op een stapel keurig verzorgde, maar kromgetrokken schuttingplanken. En het vreemde was dat je voortdurend wist: zo wil Van Elk het. Alles wat naar echt zweemt, naar Materiaal, naar een heuse fysieke sensatie van aantoonbare spanning, helpt hij eigenhandig om zeep. Want daar gaat het niet om. Het gaat er om dat we juist niet zien wat we zien, dat we beseffen: dit is maakwerk, hout is pas Hout, of "hout', als de nerven er op geschilderd zijn. Hij wil een trompe-l'oeuil-schilder zijn, maar dan een die meteen de pointe van zijn onderneming verklapt: wat u ziet is niet echt. Maak er wat van in uw hoofd.

Het gevolg van deze houding is, althans bij mij, dat deze kunstwerken als reproduktie oneindig veel meer indruk op me maakten dan in het echt. Het was alsof ik ze daar, in die immense zaal, niet hoefde te bekijken. Mij werd categorisch, en op het calvinistische af ingeprent dat het in het echt allemaal niet echt was. En het begon me daardoor steeds meer te spijten dat ik ze niet daar had gelaten waar ze hun eerste, veel spannender werk hadden gedaan: in mijn verbeelding, toen de gedachte aan de Sandwich van Ger van Elk nog werkelijk iets aanstekelijks had, en het beeld alleen nog maar een kwestie van vluchtig papier en platte fotografie was geweest.

Regie

Ik moest denken aan het verhaal van J.L. Borges, waarin beschreven wordt hoe een voetbalwedstrijd die op zondagavond door heel Buenos Aires op de televisie bekeken wordt in werkelijkheid in een volledig leeg stadion wordt gespeeld, door volmaakt geregisseerde en genstrueerde elftallen. Dit verhaal dateert uit de jaren vijftig en vat het hele probleem al samen - het probleem van de gereproduceerde werkelijkheid die echter is geworden dan de werkelijkheid die we, zonder tussenkomst van de media, in eigen persoon kunnen bijwonen.

Een kunstenaar als Van Elk speelt met Daden en Gebaren. Zolang zijn kunstwerken, met hun begeleidend commentaar ("in het spiegellabyrint zijn de beelden wel zichtbaar maar niet tastbaar') via de reprodukties tot ons komen, kunnen ze je inspireren, omdat ze je doen denken aan daden en gebaren zonder daar consequenties aan te verbinden. Pletten, wat een aanstekelijk idee, kom, laten we de kunstgeschiedenis en onszelf eens pletten, het heeft nu lang geduurd, de kwelling van de niet-ervaring, van het gecodeerd bestaan. Vervolgens waag je de stap naar de kunstwerken zelf - en dan ontdek je dat je aanwezigheid daar in die ruimte helemaal niet zo dringend vereist is. Wat daadkrachtig zou zijn blijken "daden' te zijn, van een hoger bordkarton. Het maakt niet uit of die voorwerpen ook werkelijk ergens bestaan. Ze worden van de confrontatie met je directe blik niet meer of beter of indrukwekkender dan ze op papier al waren. Integendeel - waar je de sensatie hebt niet aanwezig te hoeven zijn, daar voel je je een handschoen zonder hand. Je kwam om gevuld te worden, om te staren en vol te schieten met betekenis - maar je blik gleed langs deze dingen en hun aanhalingstekens heen. Het was alsof je wegkeek, uit gêne. Het leek op getuige zijn van een museale play-back-show.