De voorwaarde voor de beschaving; Edward W. Said over de invloed van het kolonialisme

Edward W. Said: Culture and Imperialism. Uitg. Chatto & Windus, 444 blz. Prijs ƒ 65,60

In zijn nieuwe boek beschrijft Edward Said zichzelf als een echte balling. De wereld waaruit hij afkomstig is, de Arabische wereld van zijn jeugd, bestaat niet meer en in het westen is hij een outsider gebleven. Het lijkt op wat hij in vorige boeken schreef maar de klemtoon is anders. "Als ik "exiel' zeg, bedoel ik niet iets treurigs of berooids. Integendeel, wie als het ware aan beide zijden van de imperialistische scheidslijn staat, kan ze gemakkelijker begrijpen.' Het nieuwe boek van Said is dan ook niet de omschrijving van barse grenzen en een totalitair verleden, maar juist van "overlappende gebieden en vervlochten geschiedenissen'.

Hij stelt ook een nieuwe vorm van lezen voor, of liever een "contrapuntaal perspectief'. Zoals in de muziek de thematische eenheid bereikt wordt, niet door een of ander rigoureus van buiten opgelegd melodisch principe maar juist door het samenspel van zelfstandige thema's, in het concert, zo stelt Said zich de lectuur voor. Zo wil hij bijvoorbeeld de Engelse romans van de negentiende eeuw lezen in hun betrokkenheid met de kolonies, doortrokken als ze zijn van de geschiedenis van imperialisme, verzet en uiteindelijk van inheems nationalisme.

Helemaal vrij van utopistische smetten is dit voorstel niet. Ook bij Said is het concert van romans er een van al dan niet gemaskeerd geweld, van welke kant dan ook, en de harmonie is ver te zoeken. Aan het eind van het boek daalt die dan uit de hemel van de literatuurwetenschap neer in de vorm van de ontmanteling van de canon. Literatuur is niet langer de westerse leeslijst maar een hybride. De cultuur is de fase van de grote vermenging ingegaan en de scholen en universiteiten dienen voorop te lopen via het onderwijs in een mengsel, waarvan de samenstellende delen of in ieder geval de verhouding vooralsnog vastgesteld moeten worden.

Maar laten we kijken naar de praktijk. Said heeft zijn thema in drie delen opgesplitst. In het eerste deel behandelt hij de alomtegenwoordigheid van het koloniale denken in de cultuur als de lelijke, zo veel mogelijk verzwegen voorwaarde voor de "beschaving'. Daar zitten overtuigende stukken in. Als John Stuart Mill zegt dat de Westindische kolonies niet beschouwd kunnen worden als landen maar meer als de plek waar Engeland het handig vindt zijn suiker en koffie te verbouwen, verschilt dat niet van de manier waarop Jane Austen de mysterieuze noodzaak van Thomas Bertrams slavenplantage suggereert voor de rust en de schoonheid van Mansfield Park. Said is in die stukken even overtuigend als genuanceerd. Hij zegt niet dat romans als die van Austen het imperialisme veroorzaakten, maar dat "de roman als cultureel artefact van de bourgeoismaatschappij en het imperialisme niet goed denkbaar zijn zonder elkaar.'

Corruptie

Problematischer wordt het wanneer de koloniale achtergrond bewust een integrerend aspect van de roman vormt. Said heeft zeker oog voor het paradoxale feit dat een schrijver als Conrad tegelijk anti-imperialist en imperialist kan zijn, tegelijk de corruptie van de koloniale overheersing kan beschrijven en niet in staat is Afrika of Zuid-Amerika in het bezit van een onafhankelijke geschiedenis en cultuur te denken.

Het vreemde is dat Said zelf het slachtoffer is van een vergelijkbare bijziendheid. Ook hij is, ondanks zijn nieuwe genuanceerdheid, nog steeds niet in staat in te zien, hoe in het door het koloniale denken beheerste en gecorrumpeerde westen zoiets als een tegenbeweging kan ontstaan. De weerstand en oppositie tegen het imperialisme, het onderwerp van het tweede deel van zijn boek, moet komen vanuit de gekoloniseerde landen. Zoveel overlapping en vervlechting is er nu ook weer niet.

Een figuur als Albert Camus blijft dan ook een enigma voor hem. Op gezag van Conor Cruise O'Brien, die "scherp en zelfs meedogenloos de verbanden tussen Camus' bekendste romans en de koloniale situatie bloot gelegd' zou hebben en daarmee de wetenschap dus met een evidentie verrijkte, maakt Said Camus tot de zoveelste representant van de westerse overheersing in de niet-westerse wereld. Maar Camus moest helemaal niets van Europa hebben: "cette Europe humide et noire'. Zijn liefde voor Algerije tot een soort escapisme van Europese problemen te reduceren levert geen enkel inzicht op. Als Camus schrijft dat de Fransen in Algerije evenzeer inlanders zijn, dan zit daar meer tragiek achter dan waarvoor Said gevoel kan opbrengen.

Het omgekeerde doet zich ook voor. Said heeft een voorspelbaar loflied op Fanon in zijn boek opgenomen. Maar als er een "westers' boek is, dan is het Les damnés de la terre, diep doordrongen van een specifiek westerse manier van filosoferen (het is de dialectiek ten top), geschreven voor een westers publiek. En een boek waaraan nogal wat bezwaren verbonden zijn. Objectiviteit wordt er in afgeschilderd als een Europese truc, die zich altijd tegen de inboorling keerde. Dat is niet zo. Ook zou de klemtoon op gewapende strijd bij Fanon een kwestie van tactiek zijn en zouden we meer oog moeten hebben voor zijn "theoretische generositeit'.

In beide gevallen doet zich de paradox voor dat Said westerser is dan hij wil zijn. Said heeft zich nog steeds niet bevrijd van zijn eigen oriëntalistische zwart-wit schema. En het zou wel eens zo kunnen zijn dat dat te maken heeft met te weinig eerder dan met te veel aan betrokkenheid. Er zal in de reacties op dit boek wel weer gewag gemaakt worden van die betrokkenheid (Ernest Gellner deed dat inmiddels in een uiterst onwelwillende bespreking in TLS). Onder Nederlandse geschiedschrijvers is het geven van een oordeel vrijwel taboe. Onze beste historici, Brands, Wesseling, de een in historistische, de ander in ironische afstandelijkheid, hebben een afkeer van "the flogging of dead bodies', van "Leichen prügeln' (zoiets doet blijkbaar alleen een buitenlander).

In mijn ogen is dat een gemakkelijker weg. De geschiedenis doet ertoe, is nooit een afgesloten hoofdstuk. Net zoals goed schrijven een levensvoorwaarde voor goede geschiedenis is, is betrokkenheid dat. Maar het stelt daarmee eerder meer dan minder eisen aan de historicus. Wat mij betreft is het recept voor Nederland, in betrokkenheid zowel als precisie, in afstandelijkheid zowel als "overlapping', in generositeit zowel als zuiverheid te vinden in Het Oostindisch kampsyndroom van Kousbroek. Dat boek dient dan ook onverwijld toegevoegd te worden aan de historische leeslijst, aan de canon van de Nederlandse geschiedschrijving.

Tenslotte zou ik wel eens willen weten waar Said in aanraking is gekomen met "de Nederlandse schrijver Mültatwli'.