De laatste echte Belgen zijn de Duitstalige Belgen

Hoewel onbekenden 's nachts de Franse plaatsnamen op verkeersborden overschilderen, maken de meeste Duitstalige Belgen zich niet druk over de precieze loop van de taalgrens of over de toekomst van de staatshervorming. Een bezoek aan de best beschermde minderheid van Europa.

EUPEN/SANKT VITH, 19 MAART. De bejaarde vrouw die met twee plastic boodschappentassen de slagerij in het centrum van Eupen binnen wil stappen, schudt haar hoofd. Nee, de debatten over de staatshervorming die België transformeert tot een federale staat heeft ze niet gevolgd op de televisie. “Wij kijken hier naar de Duitse zender”, zegt ze. Bovendien kunnen berichten over een boedelscheiding tussen Vlamingen en Walen haar niet zo opwinden. “Hier zijn de mensen rustig en tevreden.”

Rustig en tevreden zijn trefwoorden die vaker vallen in gesprekken, hier in het uiterste oosten van België. Verdeeld over twee aparte enclaves, weggedrukt tegen de grens met Duitsland, wonen hier misschien wel de gelukkigste Belgen die er zijn. En het opvallende is dat ze Duits spreken - thuis, op hun vele scholen, in de winkels en op het gemeentehuis.

Ze hebben een eigen rechtbank waar Duitstalige wetsovertreders in hun moedertaal kunnen worden veroordeeld. Ze kennen zelfs een "eigen' legeronderdeel, de Ardenner Jäger, waar de officieren en onderofficieren hun bevelen in het Duits geven. En ze hebben hun eigen Duitstalige krant, Grenz-Echo, die zowel internationaal, nationaal als regionaal nieuws brengt in een weldadig kalme en bescheiden opmaak.

De redactie van Grenz-Echo is gevestigd in een pand aan de rustieke Marktplatz in Eupen, en de krant wordt elke dag verspreid in de 25 gemeenten rond Eupen en het ongeveer 50 kilometer zuidelijker in de Hoge Venen gelegen Sankt Vith. Deze beide zogenoemde Ostkantons - die van elkaar worden gescheiden door het Franstalige kanton Malmédy - vormen samen de Duitstalige gemeenschap in België.

Hoewel hun taal anders doet vermoeden, voelen de ongeveer 68.000 inwoners van die Duitstalige gemeenschap zich voor alles verbonden met België. In Brussel worden ze wel gekscherend "de laatste echte Belgen' genoemd. Anders dan de Vlamingen en de Walen, laten de Duitstaligen hun jaarlijkse feestdag wel samenvallen met de nationale feestdag van België, de dag van de dynastie op 15 november. Op zijn beurt spreekt de koning van België de laatste zinnen van een officiële toespraak altijd in het Duits uit.

“We zijn Duitstalige Belgen en geen Belgische Duitsers”, zegt burgemeester Albert Gehlen van Sankt Vith om meteen mogelijke misverstanden weg te nemen. “U voelt het wel aan als u hier in de omgeving rondrijdt: wij zijn rustige mensen, niet gespannen of zenuwachtig. We zijn geen Basken of Bretonnen die zich willen afscheiden. Twee kilometer verderop ligt Duitsland, maar als u iemand vraagt of hij zich een Duitser voelt, zal hij antwoorden: "nee, een Duitstalige Belg'. Dat is onze identiteit.”

Dat in Sankt Vith en omgeving Duits wordt gesproken, wordt al op de snelweg vanaf Verviers duidelijk. Voorbij Malmédy zijn veel Franstalige plaatsaanduidingen met een soort grijze menie overgeschilderd, zodat alleen de Duitstalige naam overblijft. Liège is nog uitsluitend Luttich, bij Amel is het Franse equivalent Amblève weggestreep en Meyerode heet niet langer ook Meyrode.

Die uitingen van culturele eigenheid ogen wel een beetje in strijd met het zorgvuldig opgebouwde beeld van een gemeenschap, die zegt dat zij "in osmose' wil leven met haar omgeving: in harmonie met de naburige Walen, Vlamingen, Duitsers en Luxemburgers. Burgemeester Gehlen is zich bewust van die contradictie. “Nacht und Nebel werk van enkele fanatici, iets van de laatste jaren”, zegt hij over het overschilderen van de naamborden. Het is het werk van een kleine minderheid. Het overgrote deel van de bevolking distantieert zich ervan. Maar veel valt er voor de gezagsdragers niet aan te doen. Nieuwe tweetalige borden zijn een gemakkelijke prooi.

De 52-jarige Gehlen - die namens de Christlich-Sociale Partei als enige afgevaardigde van de Duitstalige gemeenschap in het nationale parlement van België zit - is een typische representant van de naoorlogse generatie Duitstaligen in België. Hij werd geboren in 1940, het jaar waarin de drie Oostkantons werden ingelijfd door Hitler-Duitsland. Drie jaar later sneuvelde zijn vader, een boer uit het dorpje Elsenborn, bij Stalingrad. Net als zo veel mannen uit de streek was hij gedwongen om dienst te nemen in het Duitse leger. Vrijwel elk dorp heeft wel een Denkmal, waarop de namen staan van degenen die niet meer zijn teruggekomen.

De herinneringen aan die Verlorene Jahre en aan de behandeling van de Duitstalige gemeenschap in de eerste jaren na de oorlog, hebben een zwaar stempel gedrukt op het gedachtengoed van de generatie Duitstaligen die na de oorlog is opgegroeid. Aanvankelijk werden de Duitstaligen over één kam geschoren met alle andere landgenoten die zich tijdens de oorlog "on-Belgisch' hadden gedragen. Zo mochten leraren uit de kantons geen onderwijs meer geven en moesten er Duitstalige onderwijzers uit Luxemburg komen.

Pas in 1989 kwam er volledig eersherstel. Gehlen: “De grootste dag in mijn politieke bestaan is de dag geweest, waarop de Belgische Kamer unaniem en met applaus het statuut heeft goedgekeurd voor de financiële vergoeding aan alle dwangingelijfden in de Wehrmacht en mensen die in Duitse gevangenschap hebben gezeten. Ik ben de politiek ingegaan omdat ik de plicht voelde België de waarheid te vertellen. Niet om wraak te nemen, maar om duidelijk te maken: dit zijn oorlogsslachtoffers. De generatie voor mij kon dat niet omdat ze de wapens tegen België hebben gedragen.”

Nu, vijftig jaar na de oorlog, kunnen de Duitstaligen in België zeggen dat ze misschien wel de best beschermde minderheid in Europa zijn. Een belangrijke factor daarbij is dat ze, met uitzondering van de jaren direct naar de oorlog, het onderwijs altijd in eigen hand hebben kunnen houden. Anders dan bijvoorbeeld de Vlamingen die altijd hebben gestreden tegen Franstalige overheersing, staan de Duitstaligen niet wantrouwig tegenover andere talen. “Dat is ook een groot verschil met andere minderheden: men heeft ons nooit gedwongen een andere taal te spreken. Daarom hebben we ook geen moeite om een tweede taal te leren. Men heeft hier altijd zelf gezegd: we willen niet in een getto leven”, aldus Gehlen.

Op alle lagere en middelbare scholen van de Duitstalige gemeenschap wordt het Frans als tweede taal onderwezen, en daarnaast het Engels en het Nederlands. Op 18-jarige leeftijd moet men in staat zijn om onderwijs in het Frans te volgen, al was het alleen maar omdat in het Duitstalige gebied geen universiteiten zijn en veel Duitstaligen buiten de eigen streek werken. Dagelijks forensen bijvoorbeeld bouwvakkers tussen Sankt Vith en Luxemburg en tussen Eupen en Luik. Eupen heeft alleen maar een hoger beroepsopleiding voor ziekenverzorging en - natuurlijk - een eigen lerarenopleiding. Meer dan 80 procent van de kinderen die na de middelbare school verder studeert, doet dat in (Franstalig) België. De rest gaat naar Aken, Keulen of Triëst.

Ook in ander opzicht, loopt de Duitstalige gemeenschap voorop. Bij de staatshervorming die mogelijk al eind deze maand wordt afgerond in het Belgische parlement, krijgen Vlamingen en Walen voortaan het recht om hun eigen parlement te kiezen. De Duitstaligen kiezen hun gemeenschapsraad al sinds 1974 rechtstreeks.

Die raad is bevoegd voor het onderwijsbeleid maar ook voor "persoonsgebonden' zaken als cultuur en maatschappelijk welzijn. Op dit moment onderhandelt de Duitstalige regering met de regering van het Waalse gewest (de Duitstaligen wonen op het grondgebied van Wallonië) over de overdracht van nog enkele bevoegdheden: het monumentenbeheer en de landschapsinrichting.

“Eigenlijk hebben we een voorsprong op de Vlaamse en Franstalige gemeenschap”, aldus Gehlen. “De regering van onze gemeenschap kan alleen maar naar huis worden gestuurd als de oppositie met een alternatief komt. Die procedure zal nu ook voor de rest van België worden ingevoerd. Voorheen gold: als er crisis is in Brussel, is er ook crisis in de gemeenschappen en de gewesten. Wij hebben eigenlijk een beetje model gestaan voor de staatshervorming.”

Ook de ongeveer 30 melkveehouders die aan een lange tafel zitten in de grote danszaal van café Threinen aan de Dalstraat in Kettenis, een klein dorpje iets boven Eupen, maken zich geen zorgen over hun relatie met de rest van België. Terwijl de cafébaas bereidwillig bier, koffie en koppen bouillon aandraagt, luisteren ze beleefd aandachtig naar de uiteenzetting van regionaal voorzitter Werner Hilgers van de Duitstalige boerenbond over het Verdrag van Maastricht. Hilgers vermijdt zorgvuldig technische uiteenzettingen. In plaats daarvan schetst hij de historische ontwikkelingen in Europa (oorlog), noemt hij de gevaren die opnieuw opdoemen (Joegoslavië, extreem rechts) en hij trekt de conclusie: “Es gibt keine Alternative für Europa.”

De aanwezigen knikken instemmend. Over Maastricht hebben ze eigenlijk maar één vraag. Hoe zit het met het gemeentelijk stemrecht voor buitenlanders? De zorgen blijken vooral de naburige gemeente Raeren te betreffen. Meer dan 40 procent van de inwoners uit dat plaatsje is Duits. Maar echt levendig wordt de discussie pas als de problemen te sprake komen in de landbouw.

En het debat over de staatshervorming die de Vlamingen en de Walen uiteendrijft? Och, erg veel praktische betekenis heeft dat niet voor de Duitstalige gemeenschap. De staatshervorming heeft de gemeenschap wel één extra zetel in het Europese parlement opgeleverd. Die mocht België leveren, en om geruzie tussen Vlaanderen en Wallonie daarover te vermijden, wees premier Dehaene de zetel aan de Duitstaligen toe.

Voor het overige kijken de Duitstaligen het liefst vanaf de zijlijn toe hoe Vlamingen en Walen hun zaakjes regelen. “Ik heb niets tegen Walen en zeker ook niets tegen Vlamingen”, zegt regionaal voorzitter Hilgers, terwijl aan de andere uiteinde van de tafel nog volop wordt gediscussieerd over de problemen in de landbouw. “Jullie kunnen wel zeggen dat jullie het moeilijk hebben, maar wij hebben het vroeger ook moeilijk gehad”, zegt een oudere melkveehouder tegen een jonge collega.