De emotie van orde; De onmodieuze houding van Frida Vogels

Auteurs met elkaar vergelijken is altijd een beetje onzin, maar het biedt wel houvast. Wie De harde kern van Frida Vogels aan een ander boek wil verbinden komt met het zo vaak genoemde Bij nader inzien niet ver. De houding van Frida Vogels vertoont wat zuiverheid en strengheid betreft maar met die van één ander overeenkomsten: Ida Gerhardt.

De harde kern van Frida Vogels is het meest onmodieuze boek in de moderne Nederlandse literatuur, de volstrekte antipode van bijvoorbeeld De ontdekking van de hemel. Ook de bijbehorende formule, dat het eerstgenoemde boek nog zal worden gelezen wanneer het laatstgenoemde allang zal zijn vergeten, neem ik voor mijn rekening.

Ik heb het hele werk, bestaande uit een trilogie plus een deel gedichten, sinds zijn voltooiing in '89 nu een keer of vier gelezen (in manuscript, dus met inbegrip van de nog niet gepubliceerde delen). Zoals uit het voorgaande al min of meer kan worden afgeleid houd ik De harde kern voor een meesterwerk: een van de meest oorspronkelijke boeken die in Nederland in decennia zijn verschenen.

Het lastige met iets werkelijk oorspronkelijks is dat het niet herkend wordt (zoals bijvoorbeeld ook gebeurd is met Gouden dagen van Remco Campert); men weet er geen raad mee omdat het letterlijk nergens op lijkt. Maar wie iets wil beschrijven is toch aangewezen op het maken van vergelijkingen: “X is zoals die-en-die, maar dan anders.” Zo ook met Frida Vogels. Op wie lijkt zij?

Welnu: als het dan moet, zou ik zeggen: op Ida Gerhardt. De neiging is groot om dan meteen in te gaan op de verschillen, maar dat zal ik proberen na te laten. De overeenkomst, onmiddellijk herkenbaar, is een bepaalde houding, een opzet, zoals bijvoorbeeld opvallend tot uiting komt in Ida Gerhardts gedicht "De reiskameraad' (opgenomen in de nieuwste editie van de Verzamelde gedichten) dat hierbij in zijn geheel is afgedrukt.

Er wordt in beschreven hoe iemand "wars van alles, zonder reisplan' van huis vertrekt, met niets anders bij zich dan een kompas, dat zij als kind eens ergens ("onder Arkel') heeft gevonden. Wat dan verder ter sprake komt zijn de kwaliteiten van dit instrument en het geluk het bij zich te hebben.

Wat in dit gedicht wordt uitgedrukt is naar mijn inzicht het kennen van de zuiverheid: gevonden als kind, sindsdien gekoesterd en bewaard, wetend dat het volstrekt betrouwbaar is en zich leent tot geen enkel compromis - "onomkoopbaar, onverbiddelijk' - het is aan het bezit ervan dat de eigenares haar bestemming, haar fatum ontleent.

Als ik het werk van Frida Vogels onmodieus noem is dat waar ik aan denk, het bewaren van die zuiverheid: in de laatste vijftig jaar is dat een vrijwel onbekende preoccupatie geworden, iets dat meestal niet eens meer wordt begrepen. Ook de strengheid die het impliceert is totaal niet in de mode. In de naar het hulpverlenersideaal gevormde wereld is geen plaats voor gedachten als de volgende ("Kwade dagen', Verzameld werk blz 701):

Ga niet naar anderen als dat leed u

slaat dat de mens kromt, of als een wig

hem splijt; ga niet naar anderen: raak uw kracht

niet kwijt, die harde kern waarmee ge het

bestaat.

Of Frida Vogels het werk van Ida Gerhardt kent weet ik niet, ik vermoed van niet, maar met de "harde kern' in de titel van haar boek wordt duidelijk hetzelfde bedoeld als in dit gedicht; de overeenkomst wordt nog frappanter door het besef van de manier waarop de buitenwereld op zo'n verwonding reageert: met pogingen je alsnog te dwingen om te worden zoals zij; stel je teweer tegen hun bedilzucht, Straks woelt hùn onrust om in ùw gemis. Het enige dat bescherming kan bieden is de werkelijke vriendschap "die niets verwijt, niets vraagt, niets raadt'.

Slachtoffer

Ongetwijfeld speelt de vriendschap in het werk van Frida Vogels een zeer speciale rol en ik suggereer ook niet dat er geen diepgaande verschillen zijn tussen haar wereld en die van Gerhardt. Maar wie na De harde kern Gerhardts gedichten leest (vooral de latere) herkent de overeenkomsten - een analoog gevoel van tekort en trots, van buiten de wereld staan, een zelfde afwijzing van het cultiveren van slachtofferschap en de schuld geven aan de omstandigheden, een zelfde weigering van ieder compromis, ontleend aan het streven bepaalde dingen onverbiddelijk zuiver te houden en te beschermen tegen de gemakzucht en de opdringerigheid van de wereld en zijn hulpverleners.

Soms is het of het één een toelichting is op het ander. Zo is er een gedicht van Gerhardt over een kind waartegen iemand zegt: 't was heel wat beter als jij nooit geboren was. Het kind zegt niets terug, maar begon opeens sleepvoetig traag te lopen ("Het distelzaad', 702).

Deze beschrijving roept met zo grote kracht iets op van de diepste roerselen van De harde kern, vooral van het nog niet gepubliceerde derde deel van de trilogie, waarin de jeugd van de hoofdpersoon wordt beschreven, dat het is of je het hele boek in een golf van emotie overziet; allerlei parallellen doemen op, zoals de rol gespeeld door een knieletsel, de verbeten determinatie om desondanks krankzinnige klimpartijen te ondernemen, en de analogie daar weer van met het boek zelf. Iets dat in dit licht ook begrijpelijk wordt is dat het grenzeloze en soms afstotelijke egocentrisme van de hoofdpersoon tegelijk de raison d'être is van het relaas, dat anders niet zou bestaan en er dus tegelijk de apologie van vormt. Iets dergelijks is trouwens ook op het werk van Ida Gerhardt van toepassing.

Hoe subjectief mijn reacties zijn kan ik niet beoordelen; wat een rol moet spelen is dat ik de schrijfster ken, zij het niet goed. Zij is ook in werkelijkheid d'un abord difficile. Verder heb ik onlangs Bij nader inzien van Voskuil herlezen, waar zoals bekend Frida Vogels als personage in optreedt, maar zonder er veel wijzer van te zijn geworden. Bovendien is Bij nader inzien in mijn ogen een heel ander soort boek dan De harde kern (wat mij frappeerde is hoe sterk de invloed van De avonden op beide boeken is - zoals op de hele naoorlogse Nederlandse literatuur - maar toch directer bij Voskuil dan bij Vogels). Het is zeker dat De harde kern zich kenmerkt door een grote weerbarstigheid: een forbidding book, en alleen al daarom hield ik, toen dan eindelijk het eerste deel (of beter gezegd delen I en II van de trilogie) in druk verscheen, mijn hart vast voor de manier waarop het in Nederland zou worden ontvangen.

Opvallend

Achteraf ten onrechte, want de kritieken die al snel na de publikatie verschenen waren in tegenstelling tot wat ik verwacht had niet oppervlakkig en op een enkele uitzondering na ook opvallend positief. Wat mij opviel was de nauwkeurigheid van sommige observaties, e.g. die van Hans Bakx in Vrij Nederland over het veranderen van het taalgebruik in het verloop van het verhaal: “Heeft ze eindelijk de knoop doorgehakt dan krijgt dat stilistisch zijn beslag in een opbloeien van de taal (-) Ze ziet letterlijk méér: men vergelijke de eerdere eenzame wandelingen (-) en de prachtige wandeling waarmee het boek besluit.” Hij vestigt de aandacht op het feit dat er pas op blz. 81 voor het eerst een metafoor wordt gebruikt, "werkend als een explosie'; hij citeert het niet maar het is de moeite waard dat te te doen, omdat het een idee geeft van de uitzonderlijke kracht waarmee Vogels kan schrijven: “Berta volgde alles met haar ogen, onbeweeglijk, als een passagier op een stampend schip die door in gedachten de manoeuvres mee te doen meent een dreigende ramp te kunnen voorkomen.”

Bakx beklaagt zich overigens wel over het "zich gedetineerd voelen in andermans leven', maar een van de tours de force van het boek is tegelijk ook de volstrekte afwijzing van slachtofferschap (Marjoleine de Vos in deze krant: “Het boek doet geen beroep op medelijden. Juist dat maakt het bijna onverdraaglijk ontroerend, vooral in de laatste honderd bladzijden”). In dit opzicht (en ook in andere) doet De harde kern soms denken aan het werk van Primo Levi, dat voor het grootste deel door Frida Vogels in het Nederlands werd vertaald.

Een andere tour de force is, zoals Arjen Peters in de Volkskrant ("Kolossaal debuut') laat zien, de manier waarop het tweede deel (De naakte waarheid) een veranderde visie afdwingt op het eerste (Kanker), iets waar ook Henk van der Ent de aandacht op vestigt in het mij tot dusver onbekende blad HN-Magazine. Hij schrijft letterlijk: “Hoe verder de lezer vordert in De naakte waarheid, hoe meer zijn visie op Kanker verandert. Alsof hij een berg beklimt en het panorama zich wijzigt.”

Het opmerkelijke van deze observatie is dat dezelfde gedachte precies zo voorkomt in een van de zogenaamde "gedichten' (meer aforismen eigenlijk) die in feite het vierde deel vormen van het boek:

Je vond een steentje voor je voet; je

schopte het niet weg, maar kromp ineen tot het een berg was

geworden; daarna beklom je het zegevierend.

Het is ook Henk van der Ent die de aandacht vestigt op een formule, voorkomend in het boek: “De emotie van orde die je ineens vervult, alsof alles nu volmaakt is: dat is kunst.” Dat is immers wat karakteristiek is voor De harde kern zelf, een "emotie van orde', die het onderscheidt van de zoveel andere boeken, wier domein beperkt is tot het anecdotische.

De reiskameraad

Op een onaards uur vertrokken,

wars van alles, zonder reisplan,

elke overlegging mijdend

en mij weidend in mijn vrijheid

bij het dansen van de draden,

weet ik feestelijk in mijn jaszak

het kompas, dat onder Arkel

ik als kind eens op een morgen

heb gevonden in de wegberm.

Dat mijn trots was, dat het nog is,

dat ik Boreas gedoopt heb.

Waaraan nooit iets gemankeerd heeft.

Of ik zuidwaarts ga of zigzag,

onomkoopbaar, onverbiddelijk

richt zich de magneetnaald noordwaarts.

Eindelijk reizen wij weer samen;

twee die bij elkander horen,

twee die aan elkaar gewaagd zijn.

Ida Gerhardt