Boos & aardig

Mijn aardige ik ziet op straat een huilend jongetje. Nou, zeg het maar, wat hebben ze je aangedaan? Ze wouwen hem natgooien, in vergiftigd water stoppen. Mijn aardige ik aait hem over zijn hoofd. Hij heeft van dat zijige blonde haar. Welnee, dat doen ze niet, dat bestáát geeneens. En waar woont hij? Ga dan maar gauw naar je moeder.

Mijn aardige ik weet altijd raad. Dit ik is mild en vol vertrouwen. Het zegt gedag en maakt een praatje of een grapje. Het is jong en levenslustig en begrijpt best dat de wereld niet volmaakt kan zijn. Mijn aardige ik, het woord zegt het al, is aardig.

Maar mijn boze ik is er ook nog.

Mijn boze ik hoort op het jaagpad een brommer scheuren. Dat is verboden, en wat belangrijker is: ik wil het zelf ook niet hebben. Mijn boze ik neemt zich voor geen stap opzij te gaan. Laat die ellendeling maar in zijn remmen knijpen. En als hij slipt en met zijn hele hebben en houwen in de Rijn verdwijnt - net goed, blij toe.

Mijn boze ik neemt altijd wraak, het zint op oog om oog en tand om tand. Dit ik zit vol met mensenhaat. Het voelt zich aangevallen en tekortgedaan, oud en uitgeteld. Mijn boze ik, het woord zegt het al, is boos.

Aan beide zijden zijn grenzen. Bij mijn aardige ik: zo ben ik niet echt. Bij mijn boze ik: zo wil ik niet zijn.