Alle literatuur staat of valt met de vertaler

Het Fonds voor de produktie en vertaling van de Nederlandse letteren houdt vandaag en morgen, in samenwerking met het ministerie van de Vlaamse gemeenschap en de Nederlandse Taalunie, een conferentie in de Brakke Grond te Amsterdam over complicaties bij het vertalen van literaire teksten uit de kleinere taalgebieden van de Europese Gemeenschap in die van de grotere taalgebieden van de EG. De onderstaande beschouwing over literaire vertaalproblemen werd vanmorgen gehouden bij de opening van de conferentie.

Iemand, laten we zeggen iemand zoals ik, staat tegenover een aantal Europese vertalers, uitgevers, lectoren, ambtenaren, en gaat iets beweren wat ze al weten, het onontkoombare gegeven waar ze uit hoofde van hun beroep vrijwel dagelijks mee te maken hebben, en dat is uitgedrukt in de volgende wet: de literatuur van een kleiner taalgebied kan en zal voor de wereld buiten dat taalgebied niet bestaan indien zij niet vertaald wordt. Door niet uit de omheining van de taal waarin ze geschreven zijn te ontsnappen worden boeken en gedichten onleesbaar, stenen van Rosette die gedecodeerd moeten worden om te bestaan. Als we ervan uitgaan dat literatuur als het goed is op onvervangbare wijze het intieme wezen van een land of een nationale cultuur uitdrukt betekent dat ook dat een land waarvan de literatuur in geheimschrift is geschreven in zekere zin niet bestaat, en dat men dat land nooit kan kennen zoals men de zogeheten grotere landen kan kennen. De literatuur van die landen hoort altijd tot ons referentiekader, onze literatuur vrijwel nooit tot het hunne. Ofwel, Oliver Twist, Leopold Bloom, der Mann ohne Eigenschaften, Falstaff, Don Quichote, Doctor Faustus, Beatrice, Albertine en Orlando komen bij ons over de vloer alsof ze vanaf hun geboorte de sleutel van ons huis bezaten, terwijl onze helden, voor zover we ze bezitten, zich in Parijs, Manchester, Bielefeld of Milaan naar binnen moeten vechten. Het valt niet te ontkennen: de kleinere literatuur moet op haar tenen gaan staan en roepen om gehoord te worden, en dat is, naar ik aanneem, wat deze congregatie in de komende twee dagen gaat doen: roepen, want dat is het soort geluid dat je moet maken als je denkt, of weet, dat datgene wat je te vertellen hebt niet datgene is wat de anderen willen horen.

Is dat niet allemaal wat overdreven uitgedrukt? Is de situatie niet al veel beter dan een aantal jaren geleden? Zie ik niet - en nu spreek ik over de Nederlandse literatuur - in andere landen de boeken van Claus, Haasse, Van der Heyden, Bernlef, Mulisch, Springer, de gedichten van Faverey, Armando, Lucebert liggen? Ontmoet ik niet op eigenaardige congressen auteurs en vertalers uit andere kleine taalgebieden, zijn de Fransen en in hun kielzog de Italianen en Spanjaarden niet veel opener geworden voor buitenlandse literatuur ook uit kleinere landen, of, omgedraaid, om het eens van de uitgeverskant te bekijken, is er niet een natuurlijke grens aan wat er überhaupt gepubliceerd kan worden, nog helemaal afgezien van de kleinere landen met hun steeds nieuwe lichtingen van onbekende auteurs met merkwaardige, onuitspreekbare namen en geheime meesterwerken? Gebeurt er niet onvoorstelbaar veel ondanks de groeiende crisis in de Amerikaanse, de Engelse, de Franse uitgeverij, waar overnames, problemen en ontslagen aan de orde van de dag zijn? En overschatten al die kleine landen en taalgebieden hun eigen literatuur niet? Is het echt allemaal zo bijzonder? Bestaan er misschien ook schrijvers die, net als sommige wijnen, niet reizen? Is er bij die kleinere literaturen niet een soort myopische instelling waardoor datgene wat men naar buiten wil brengen nu juist niet datgene is wat buiten naar binnen wil halen? Zijn er wetten, en als ze er zijn, kan iemand die dan misschien uitleggen?

Elke nationale literatuur, de Vlaamse, de Deense en de Portugese net zo goed als de Nederlandse is een soort geheim gezelschapspel met waardeschalen, hiërarchieën, hysterieën, ontkenningen, reputaties die soms meer met publiciteit dan met werkelijke literaire waarde van doen hebben, vijanden, kongsies, achtergebleven critici, min of meer eerlijke bestsellerlijsten, vriendjes, magistrale zelf-ensceneerders, schuwe talenten, ijdeltuiten, dorpsidioten, genieën, prijzen, eregelden, short lists, talk shows, verborgen reputaties, polemieken, zin en onzin, en het is natuurlijk buitengewoon onrechtvaardig dat dat hele lokale pandemonium met al zijn folkloristische pracht en modder niet in zijn geheel naar het buitenland kan worden overgebracht. Maar zo zit de wereld nu eenmaal niet in elkaar. Iedereen moet het doen met zijn eigen letterland en krijgt van de buitenwereld alleen maar flarden. Maar wat voor flarden? Er zijn reputaties die bij de eerste aanraking met een andere taal verschrompelen, hiërarchieën die ondanks het grootzegel dat de vaderlandse kritiek en de plaatselijke verkoop er aan gehangen hebben al in de buurt van Aken of Rijssel in elkaar storten, onverbiddelijke lokale bestsellers waar buitenlandse uitgevers vol onderlinge nijd op bieden maar die in het grote gevaarlijke buitenland nog geen tien procent van de verwachte verkoop halen, kortom, een nationale literatuur, of dat nu de Deense of de Vlaamse of de Catalaanse is, verliest als zodanig, als complex geheel van tegen elkaar afgewogen reputaties en gekoesterde tradities, haar geldigheid, en dikwijls komt er dan een even arbitrair systeem van recht- en onrechtvaardigheden voor in de plaats.

Men zou zich, maar dat is een waagstuk, eens moeten voorstellen wat er, bijvoorbeeld in dit land, gebeurd zou zijn met de reputatie van Calvino als Nederlands schrijver. Zou hij bij de top gehoord hebben? Of zou hij een briljante, maar eigenaardige outsider geweest zijn? Ik neem aan dat er geen criticus te vinden is die niet zal zeggen dat hij dan toch in ieder geval een dergelijk schrijver onmiddellijk herkend zou hebben, niemand zou gezegd willen hebben dat deze Calvijn zich maar beter met het straatrumoer van de hen omringende vaderlandse werkelijkheid zou kunnen bezighouden dan met, zoals een ochtendblad het onlangs fijnzinnig uitdrukte naar aanleiding van iets anders "literair gewauwel'. Zou hij vertaald geworden zijn? En zo ja, zou een Nederlandse Calvino die exact dezelfde boeken geschreven had, ook hetzelfde succes gekregen hebben dat de echte Calvino, overigens ook pas na langere tijd, gekend heeft?

Omgekeerd, de bekende uitgeversval. Een grote buitenlandse uitgever hoort van zijn Nederlandse of Griekse collega die regelmatig titels van hem koopt, dat die Griekse of Nederlandse collega nu een nieuwe vrouwelijke auteur heeft die met een eerste of een tweede boek al meteen meer dan honderdduizend exemplaren verkocht heeft. De Nederlandse uitgever wil dat boek natuurlijk graag verkopen, al was het maar om aan het eeuwige eenrichtingsverkeer van de grote naar de kleine taal te ontkomen. De buitenlandse uitgever heeft intussen de vijftien miljoen Nederlanders vermenigvuldigd met zijn eigen potentiële lezers en zit in gedachten al bij een gouden oplage. Klopt dat dan ook? Ik ken er, eerlijk gezegd, geen voorbeeld van. Maar hoe kan dat nu? Wat is er gebeurd, of liever, wat is er nu eigenlijk niet gebeurd? Is de buitenlandse kritiek nu beter of slechter dan de Nederlandse? Heeft het aan onbekende en dus niet te definiëren chemische bestanddelen ontbroken? Of was het boek misschien toch niet zo goed? Was de vertaling gebrekkig? Bestaan er in land A problemen waar land B zich absoluut niet voor interesseert? Zijn er stijlen die aan de grenspaal blijven haken? Is de kaas van het psychologisch realisme beschimmeld of lusten ze die ergens anders gewoon niet? Was er in dat andere land geen Van Dis die de auteur op schoot nam? Was de criticus die het boek naar de top had kunnen stoten net ziek of met vakantie?

Een ander voorbeeld: een Deense, Vlaamse, Catalaanse, Nederlandse auteur heeft al een indrukwekkende reeks boeken op zijn naam staan. Hij is eredoctor, staat op alle eindexamenlijsten, wordt zelfs al genoemd voor de Nobelprijs (wie niet), hij haalt in eigen land hoge oplagen, hij heeft de gebruikelijke hoeveelheid vrienden en vijanden, en toch klopt er iets niet. Laten wij ervan uitgaan dat hij een werkelijk groot schrijver is, hoe zeldzaam die ook zijn: hoe komt het dan dat hij de status die hij in het eigen land heeft in een ander land niet of gebrekkig weerspiegeld ziet? Dat heeft te maken, denk ik, met de pervertering van zijn chronologie.

Laat me uitleggen wat ik daarmee bedoel. Daar komt de schrijver aanzetten op het nationale toneel, ongeveer tegelijk met de uitvinding van de televisie. Hij is jong, en dus arrogant, zijn boeken zijn niet al te makkelijk maar intrigeren, hij roept controverses op, beledigt een volksdeel, critici haten hem, bejubelen hem, verwerpen hem, hij neemt standpunten in die vroegere vrienden niet bevallen, hij krijgt prijzen, hij wordt een steen des aanstoots, hij schrijft een meesterwerk, er wordt een film van gemaakt die een flop is, zijn publiek volgt hem, zijn publiek keert zich van hem af, hij raakt verwikkeld in een polemiek, kortom het hele organische proces van een schrijversleven met al zijn toppen en dalen, voetangels en klemmen, en dat dan dertig, veertig jaar lang. Zijn lezers zijn organisch met hem meegegroeid, haar lezers hebben haar oud zien worden, zijn naam, haar naam is een begrip geworden en hoe dan ook, terecht of ten onrechte niet meer weg te denken uit het vaderlands panopticum. Is het mogelijk deze hele Werdegang naar het buitenland over te brengen? Ja, dat is mogelijk, maar meestal niet vanuit een klein taalgebied. Maar mogelijk is het, zie Borges, zie Nabokov. Ook daar was de chronologie verstoord, ook daar was men ergens ver over de tweede helft van een omvangrijk oeuvre begonnen met vertalen, en heeft men geleidelijk aan, naar voren en achteren werkend, het beeld voltooid, daarbij geholpen door de dood van de schrijver, omdat er daardoor tenminste niets nieuws meer aan dat oeuvre werd toegevoegd, en hij - door voetnoten omkranst, in de Pleiade kon worden opgebaard.

Meestal gaat het anders. Het zeventiende boek verschijnt het eerste, omdat dat nu toevallig in het eigen kleine land het meest succes heeft, maar de organische verwantschap met de eigen lezers, die in twintig jaar of meer gegroeid is, ontbreekt in het andere land. Wat er dan overblijft, is alleen maar een enkel boek van een onbekende auteur uit een land waar men eigenlijk niet zoveel van weet. Zijn vroegere boeken kent men niet, terwijl ze misschien beter zijn dan die ene toevallige bestseller; hij moet, in dat andere land, weer helemaal opnieuw beginnen terwijl hij misschien helemaal geen zin meer heeft in interviews, lezingen, televisie, de duizendste fotograaf, nachten in provinciale hotels en mensen die zijn oeuvre niet kennen en zijn naam niet eens behoorlijk kunnen uitspreken. Als zijn buitenlandse uitgever een moedig man is - en er zijn gelukkig veel moedige uitgevers, ook in deze moeilijke tijden - zal hij met deze auteur doorgaan, ook al, en daar heb je het probleem, kan hij de andere boeken van de auteur niet lezen omdat ze nog niet vertaald zijn en hij nu eenmaal die eigenaardige taal niet kent. Hij weet dat er nog van alles in die schatkamer moet liggen, maar hij kan er niet bij. Toch zegt zijn instinct hem dat hij door moet gaan, net zo lang tot hij de geperverteerde chronologie van dat oeuvre weer heeft rechtgebogen, en het hele werk daar ligt waar de liefhebbers het zullen vinden. Zij zullen de tijdpuzzel oplossen, de stukken op volgorde leggen. Zulke uitgevers zijn zeldzaam, en de auteurs die zoveel liefde verdienen ook. En het minste wat die auteur, als hij tenminste nog leeft, terug kan doen, is, voor zover hij dat kan, zich met de vertaling bezighouden om ervoor te zorgen dat er in die talen die hij machtig is, tenminste geen catastrofes gebeuren.

Fouten in belangrijke talen hebben soms de neiging zich in andere talen voort te zetten. Ik mag misschien één voorbeeld geven. In één van mijn boeken wordt beweerd dat kardinaal Nicolaas van Cusa op de brandstapel gestorven is. Die stompzinnige fout heb ik helemaal alleen gemaakt. Ik bedoelde natuurlijk Giordano Bruno, maar wat ik opschreef was Gusanus. Deze fout passeerde mijn Nederlandse editor, die toch als beroep heeft mijn onzin te wieden. Daarna passeerde hij de Amerikaanse editor, de Duitse, de Franse, en zo verder. Tot op een dag de telefoon ging. Een aarzelende vrouwenstem, de Deense vertaalster. Zij had het in alle encyclopedieën nagekeken, maar volgens haar was Nicolaas van Cusa in bed gestorven. Sommige vertalers zijn heiligen. Borges heeft in een prachtig interview met Barber van der Pol gezegd dat ze in sommige gevallen beter zijn dan de schrijver. Dat is niet zo vreemd als het lijkt. Een in slechte stijl geschreven boek dat niettemin interessant is kan in het buitenland door de zwijgende correctuur van de vertaler of vertaalster een extra glans krijgen. In dat geval mag de schrijver wel zeer dankbaar zijn, al zijn daar maar weinig voorbeelden van bekend.

En dat brengt mij bij het thema van deze bijeenkomst. Zonder vertalers geen vertaling, zonder vertaling geen boek. Nee, dat gaat te ver. Zonder vertaling uitsluitend boeken in geheimschrift. Wij zijn hier op uitnodiging van de Nederlandse stichting voor vertalingen. Zulke stichtingen zijn er ook in andere landen. Ze huizen in echte kantoren en hebben directeuren en medewerkers die de wereld afreizen om de nationale literaturen in die wereld meer bekendheid te geven. Dat is prachtig. Het probleem begint echter pas als ze succes hebben, als er vraag naar die literatuur komt. Want dan blijkt dat er aan één ding een schrijnend gebrek is: aan vertalers. De directie van Het Literair Produktiefonds kent mijn standpunt: jullie kunnen propageren, publiceren, bevorderen wat je wilt, zolang de vertalers er niet zijn is het allemaal vergeefse moeite. Slechte vertalingen zijn dodelijker dan geen vertalingen. Leidt vertalers op, laat ze hier wonen, zorg dat het honorarium voor literaire vertalingen verlost wordt van het stigma van de nette armoe, en tot je dat voor elkaar hebt blijft het boek van de Nederlandse literatuur, of van welke andere literatuur ook, voor het buitenland gesloten. Alles valt of staat met de vertalers, en met de kwaliteit van die vertalers. Naar het Nederlands zijn er genoeg, in omgekeerde richting is er een pijnlijke schaarste, wat er gezocht wordt zijn tovenaars, meesters die de alchemie beheersen waarbij het goud van de ene taal in het goud van de andere veranderd wordt. Hun schutspatroon is de heilige Hieronymus, schrijver van het boek De optimo Genere interpretandi, vertaler van de Vulgaat, een man met een woedend temperament, een gigantisch ego, een van de grootste filologen van de oudheid, een magistraal stilist, genadeloos polemist en als zodanig een schelder van de allerhoogste rang. Misschien moeten we de Europese Commissie duidelijk maken dat dit zo'n beetje de kwalificaties zijn van de mensen die we zo dringend nodig hebben.