Turkije reageert lauw op PKK-aanbod voor bestand

ANKARA, 18 MAART. Is het aanbod van de leider van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK), Abdullah Öcalan, om de wapens vanaf 20 maart neer te leggen slechts een handige zet om het tanende prestige van de organisatie internationaal op te vijzelen, of is hij daadwerkelijk tot het inzicht gekomen dat de tijd is aangebroken om de Koerden-kwestie in Turkije via een politieke weg op te lossen?

Ankara neigt er voorlopig toe om het eerste te geloven. Ook na de persconferentie gisteren van de PKK-leider in de Beka'a-vallei in Libanon, waarin hij uitlegde dat de organisatie onder druk van de internationale en Koerdische en Turkse gemeenschappen bereid is vanaf zaterdag eenzijdig een staakt-het-vuren in acht te nemen. Een aanbod dat op 15 april afloopt. In de tussenliggende tijd moet duidelijk worden of de Turkse regering de handschoen oppakt die Öcalan haar na negen jaar van guerrilla-oorlog en een kleine 6.000 doden toewerpt.

De Turkse premier Suleyman Demirel heeft in de afgelopen dagen duidelijk gemaakt dat er van zijn kant geen concessies zijn te verwachten. “Laat hen de wapens eerst maar eens neerleggen”, aldus de Turkse premier. De minister van binnenlandse zaken, Ismet Sezgin, zei in een eerste reactie dat hij het staakt-het-vuren verwelkomde, maar hij eiste bovendien dat de Koerdische seperatisten zich overgeven aan de staat om berecht te kunnen worden. Daarmee is duidelijk dat de wens van Öcalan om terug te kunnen keren naar Zuidoost-Turkije om van daaruit de politieke strijd voort te zetten, een utopie is.

Bovendien blijkt dat de PKK-leider in feite veel minder ver gaat dan wat de Noordiraakse Koerdenleider Jalal Talabani de Turkse regering vorige week per brief had laten weten: dat de PKK niet zo nodig zelf de onderhandelingen behoefde te voeren, maar dat de Koerdische afgevaardigden in het parlement als brug zouden kunnen dienen. Öcalan liet er gisteren evenwel geen twijfel over bestaan dat hij de gelegenheid wil krijgen om de PKK, die in feite alleen maar over een militaire arm (ARGK) beschikt in Turkije, om te vormen tot een legale politieke organisatie.

De Turkse regering, evenals de oppositie, is niet bereid in te gaan op de wensen van Öcalan. Maar aan de andere kant kan Ankara het zich ook niet permitteren om het staakt-het-vuren zo maar ter zijde te schuiven. Daarvoor ligt de Koerden-kwestie ook internationaal te gevoelig. Het is ook de reden dat de Turkse premier Demirel vooralsnog weigert commentaar te geven op het aanbod van Öcalan. Want zijn antwoord zal een middenweg moeten zijn. Ankara wenst niet met een organisatie die zich van terreurmethoden bedient rond de tafel te gaan zitten, maar aan de andere kant staat of valt een oplossing voor de Koerden-kwestie, evenals de economische en sociale ontwikkeling van het sterk achtergebleven Koerdische zuidoosten van Turkije, met het beëindigen van de guerrilla-strijd in deze regio.

De viering van het Koerdische nieuwjaar, nevroz, aanstaande zondag is dan ook een eerste vuurproef. Zowel voor wat betreft de PKK, die vorige jaar de Koerdische bevolking nog opriep tot een opstand die eindigde in een bloedbad met 92 doden, als voor de Turkse veiligheidstroepen, die massaal in deze regio zijn gelegerd en een repressief bewind voeren. Zij beweren dat niet zozeer de politiek, maar hun optreden de PKK in feite op de knieën heeft gekregen. Het aanbod van Öcalan om de wapens tijdelijk neer te leggen wordt gezien als een uitvloeisel van de omvangrijke verliezen die de organisatie in de afgelopen maanden heeft geleden. Niet alleen in het noorden van Irak - waar de PKK nu is ondergebracht in het kamp Zeli aan de grens met Iran -, maar ook in het Koerdische zuidoosten van Turkije zelf, waar het Turkse leger ondanks de slechte weersomstandigheden bombardementen is blijven uitvoeren op kampementen van de separatistische organisatie in de bergen.

Bovendien werken Syrië en Turkije nu hechter samen bij de bestrijding van terreur, wat het voor de PKK moeilijker maakt om nog langer vrijelijk vanuit dit land opereren. De belangrijkste bondgenoten in de regio zijn momenteel Irak en Iran. Bagdad biedt de PKK logistieke steun in ruil voor de onrust die de rebellen zaaien in het door de Iraakse Koerden gecontroleerde noorden van het land, dat inmiddels de facto een onafhankelijke staat is. En voor Teheran vormt de PKK een pion om de regionale machtspositie te verstevigen en Turkije te dwingen de activiteiten van de Iraanse oppositiegroepering Mujahedeen Khalq te controleren.

Van een organisatie met ten minste 10.000 guerilla-strijders, waarvan vorig jaar sprake was, is dan ook niet zo heel veel meer over. Bovendien zou PKK-leider Öcalan ook intern grote problemen hebben. Zo zou hij zeker drie van de negen militaire eenheden in Turkije niet meer onder controle hebben. Intussen zou de politieke arm (ERNK) van de PKK in Europa hem de laatste maanden voortdurend dwingen een meer gematigde opstelling te kiezen om de PKK internationaal te laten overleven.

De gedachte die vandaag in de Turkse pers wordt uitgedragen is dat als Öcalan niet in de gelegenheid wordt gesteld naar Zuidoost-Turkije terug te keren, hij zijn heil wel eens in Noord-Irak zou kunnen zoeken, waar zijn broer Osman ook verblijft. En daarmee geeft hij de Iraakse Koerdenleider Talabani een belangrijke troefkaart in handen. Want voor zijn jarenlange inspanningen om de PKK om te vormen tot een meer politieke organisatie zal deze zeker beloond willen worden door Turkije, dat de pogingen om tot een federaal Koerdistan in Noord-Irak te komen op alle mogelijke manier probeert te blokkeren.