Thackara directeur Vormgevingsinstituut: "Design van groot belang bij technische innovatie'

De Engelsman John Thackara wordt per 1 mei de directeur van het nieuwe Nederlandse Vormgevingsinstituut, waar WVC drie miljoen gulden per jaar in gaat steken. Hij wil vormgevers, kunstenaars en bedrijfsleven bij elkaar brengen.

AMSTERDAM, 18 MAART. Thackara (41) is even op bezoek in zijn toekomstige woonplaats Amsterdam - hij heeft het bestuur beloofd hier te komen wonen en de taal te zullen leren - voor overleg met architect Jan Benthem over de verbouwing van het voormalige museum Fodor ten behoeve van zijn nieuwe instituut en om alvast het "Designers' Weekend' bij te wonen.

Thackara is zijn loopbaan begonnen met het schrijven over vormgeving. Begin jaren tachtig was hij hoofdredacteur van Design Magazine. Geleidelijk aan is hij begonnen met tentoonstellingen organiseren, boeken schrijven, lezingen houden en als consulent optreden voor een groot aantal bedrijven. De afgelopen tien jaar heeft zijn werk zich voor, schat hij, tachtig procent buiten Engeland afgespeeld, waarvan de laatste vijf jaar voornamelijk in Japan en Oost-Azië.

Aan design kleeft vaak een imago van "leukige overbodigheid'. Thacakara verzet zich daartegen. Aan de hand van voorbeelden wil hij in de praktijk laten zien dat “dat design van even groot groot economisch als cultureel belang is.” Daarom betreurt hij het dat WVC er niet in is geslaagd het ministerie van Economische Zaken te bewegen tot structurele deelname in het nieuwe Vormgevingsinstituut.

Het Vormgevingsinstituut moet volgens Thackara vooral “cooördineren ondersteunen en integreren van de verschillende groepen - kunstenaars, ontwerpers, ingenieurs, bedrijfsleven - die anders langs elkaar heen werken. Dit moet een organisatie worden voor research en communicatie, niet voor produkties.”

Het nieuwe instituut moet volgens hem dan ook twee sporen volgen: het moet niet alleen de ontwerpers bedienen, maar ook buiten het bestaande design-wereldje de weg bereiden voor technische innovatie. “Japan, de EG en Amerika geven tezamen 150 miljard dollar per jaar uit aan onderzoek en ontwikkeling. Daarvan wordt niet meer dan vijf procent omgezet in produkten en diensten, de zogenaamde innovation gap. Design is een machtig middel om een idee in produkten en diensten om te zetten. Als je met design van dat vijf procent van al die miljarden, zeven procent kunt maken, dan wordt design een economisch factor van belang.”

“Hetzelfde geldt voor de nieuwe computertechnologie: de beschikbare kennis verdubbelt zich om de achttien maanden, maar het gebruik dat wij ervan maken, blijft daar ver bij achter. De meeste mensen gebruiken hooguit vijf procent van alles wat hun computer kan. Een van de belangrijkste toepassingen van design in de toekomst ligt volgens mij op het gebied van de wisselwerking tussen mensen en computers. De EG investeert nu enorm veel geld in twee grote communicatienetwerken, maar deze glinsterende highways of the mind hebben nog geen opritten. Het benutten van die investeringen is niet alleen een economisch vraagstuk, maar ook een culturele kwestie: hoe banen we ons een weg door die hele zee van informatie? Kunstenaars hebben daar vaak beter inzicht in dan ingenieurs.”

Marketing en promotie van Nederlands design is in de visie van Thackara niet de primaire taak van het Vormgevingsinstituut; in de ruimte van Fodor is straks ook geen grote expositieruimte. Voor het instituut voorziet hij, zeker de eerst paar jaar, een staf van niet meer dan zes of zeven mensen - geen specialisten in een specifieke sector, maar eerder "producenten' die de verschillende sectoren juist bij elkaar kunnen brengen. Thackara heeft ervaring met langlopende onderzoeksthema's waarvoor gastonderzoekers worden aangetrokken en die door zowel het verantwoordelijke instituut als bedrijven worden gefinancierd.

Behalve dat woorden als technologie, innovatie, industrie, research telkens in het gesprek opduiken, valt ook het woord recessie vaak. “Ik heb net vier jaar diepe recessie in Engeland meegemaakt,” zegt hij, “waarbij van de banen in de design-sector liefst dertig procent verloren ging. Ik hoop dat ik hier niet van de regen in de drup kom.” In gesprekken hier speurt Thackara naar de strategieën waarmee ontwerpers hier zich alvast wapenen tegen een dreigende recessie, maar veel is daar (nog) niet van te merken. “Ik heb de indruk dat de meeste Nederlandse ontwerpers hun inkomen grotendeels op de thuismarkt verdienen,” zegt hij. “Ze lijken zich niet zo sterk op het buitenland te oriënteren. Ik vraag me af of dat een bewuste keuze is, of een mentale houding, of dat ze geen toegang hebben tot internationale markten. Wel staat volgens mij vast, dat als de Nederlandse ontwerpers de mogelijkheden van de export niet benutten, ze een recessie zoals die in Engeland niet zouden overleven. In Nederland, maar ook in de rest van Europa, lijkt de ontwerpersgemeenschap nog te veel op de middeleeuwse gilden. Het Vormgevingsinstituut moet dat systeem niet in stand houden, maar juist die barrières slechten.”

Maar eigenlijk, excuseert Thackara zich, weet hij nog niet genoeg over de Nederlandse situatie om dergelijke uitspraken te doen. “Daarom is het eerste wat ik wil doen is een grondige culturele en economische analyse maken van de situatie van Dutch design: de verschillende disciplines met hun krachten en zwakten, welke expertise is er aanwezig, welke opleidingsmogelijkheden zijn er. De uitkomsten kun je vergelijken met de situatie in de rest van de wereld om te zien welke kansen in Nederland onbenut blijven.”