Tentoonstelling Walter Sickert in Van Goghmuseum; Rauwheid en melancholie in losse penseelstreken gevat

Tentoonstelling: Walter Sickert (1860-1942), schilderijen, tekeningen, etsen, t/m 31 mei in het Rijksmuseum Vincent van Gogh, Paulus Potterstraat 7, Amsterdam, ma-za 10-17u, zo 13-17u. Engelstalige catalogus ism The Royal Academy, Londen door Wendy Baron en Richard Shone ƒ 69,50. (60 werken daaruit zijn in het museum te zien, aangevuld met 40 tekeningen en prenten)

In 1885 werd in de Franse havenstad Dieppe tegen de achtergrond van een met klimop begroeide muur een aardig dubbelportret gemaakt. Links op de foto, naast wat slordig opgestapelde tonnen, kijkt de niet meer zo jonge Edgar Degas hautain en een beetje blasé net over de fotograaf heen. Naast hem poseert fier een jongeman in een modieus wit pak. Hij leunt luchtigjes op een wandelstok en draagt een schilderkistje over de schouder, zodat geen twijfel meer bestaat over het beroep dat hij uitoefent. De naam van deze jonge plein-airschilder - een Engelsman - is Walter Sickert en zijn zelfbewuste houding onderstreept de ambitie die uit zijn ogen straalt.

De opname, afgedrukt in de catalogus bij de grote Sickerttentoonstelling die nu in het Van Goghmuseum wordt gehouden, is kenmerkend voor de fase waarin Sickert zich op dat moment bevond. Hij schilderde in 1885 nog volop 'alla prima', wat wil zeggen, direct in de natuur, waarbij hij in de natte verf bleef doorwerken. Deze methode had hij geleerd van zijn toenmalige Londense leraar James McNeill Whistler door wie hij tot dan toe zeer beïnvloed was. Maar tegelijkertijd stond Sickert al open voor de Franse invloed van Degas, die hij die zomer in Dieppe goed leerde kennen.

Degas adviseerde zijn jonge collega om ter plekke snelle schetsen te maken, die hij dan in zijn atelier in fasen kon uitwerken. Die afstand tot het onderwerp beviel Sickert blijkbaar goed, want later in zijn loopbaan zou hij nog veel verder gaan en in plaats van zijn eigen schetsen ook door hem zelf in scène gezette foto's als voorbeeld nemen. Ook schilderde hij op een gegeven moment vrij letterlijk krantefoto's na, toppunten van momentopnames toch.

Deze manier van werken heeft Sickert tot schitterende prestaties gebracht. Neem De aankomst van Amelia Earhart (1932), een schilderij dat vrijwel letterlijk de foto op de voorpagina van The Daily Sketch aanhoudt en waarop de eerste vrouw die alleen de Atlantische Oceaan overvloog, geheel in de menigte verdwijnt.

Een van de beste werken op de Sickerttentoonstelling in Amsterdam is zijn zelfportret uit 1929 met het veelzeggende onderschrift The servant of Abraham. De foto die Sickert hiervoor gebruikte en die hij zelfs van hulplijnen voorzag, werkte blijkbaar meer als een spiegel dan als een plaatje. Met een tot het uiterste doorgevoerde losse penseelstreek - het werk lijkt op een sterk vergroot detail - haalt de schilder hier in psychologische zin het onderste uit de kan. Hetzelfde geldt voor het portret van de schrijver Hugh Walpole, ook uit 1929. Naar de vorm doet dat moderner aan dan het zelfportret, dat even goed in de negentiende eeuw gemaakt had kunnen zijn.

Sickert, die in 1860 werd geboren, wordt op de eerste plaats beschouwd als een van de belangrijkste Engelse impressionisten. In deze meestal als aanbeveling bedoelde karakterisering ligt een zekere tragiek. Want wie in dit opzicht met Franse maatstaven meet (en wie begint daar niet mee bij het woord impressionist?) is al gauw geschokt door Sickerts sobere, om niet te zeggen sombere kleurgebruik. Daarbij komt Sickerts werk, zoals ook nu weer blijkt uit deze tentoonstelling, lang niet zo direct over als de losse penseelstreek doet vermoeden. Veel van Sickerts beste schilderijen hebben een melancholie en een diepte die je met uitzondering van Manet bij de luchtiger Fransen van het eerste uur niet vindt. Hij geeft het dagelijks leven bovendien vaak veel rauwer weer.

Parallellen voor die ontwikkeling zijn niet direct in Frankrijk te vinden maar veel eerder bij bijvoorbeeld de Skandinavische kunstenaars die evenals Sickert hun licht opstaken in Parijs en omgeving en vervolgens thuis stuk voor stuk individualisten werden. Zo doet een zeer schetsmatig portretje ten voeten uit van de tekenaar Aubrey Beardsley bijna letterlijk aan het kwetsbare werk van de Finse Hélène Schjerfbeck denken - een kunstenares overigens die internationaal de laatste jaren grote prijzen maakt. Ook andere werken op de tentoonstelling, vooral de wat zwaarmoedige interieurs, zijn eerder met Skandinavische kunstenaars te vergelijken dan met Franse.

De overzichtstentoonstelling van Walter Sickert is niet gemakkelijk voor de bezoeker. Dat ligt niet alleen aan Sickert. Geen enkele kunstenaar maakt louter topstukken en het kan heel plezierig, leerzaam en stimulerend zijn om, zoals bij het Van Goghmuseum de laatste jaren het geval is, niet alleen de hoogtepunten van bekende meesters tegen te komen, maar ook relatief onbekende werken te zien. Maar of nu de getoonde selectie karakteristiek is voor Sickert blijft de vraag. Het is jammer dat enkele van zijn beste impressionistische schetsen en de meest indringende werken uit zijn Camden Townperiode thuis bleven.

En dan heb ik nog een probleem. Wat Sickert boeiend maakt is dat hij risico's nam en soms zeer op de grens balanceerde. Daarbij had hij één grote passie en dat was het licht. Wat hij ook schilderde, het is doordrongen van een bizar, luguber, zacht, kunstmatig, warm of intiem licht. Dat geldt ook, zelfs juist, voor het donkerste werk in de eerste helft van de tentoonstelling. Juist dit aspect maakt Sickerts werk kwetsbaar en eist een extra zorgvuldige belichting. De mooiste sopraan klinkt vreselijk wanneer de microfoon bij de opname niet goed is ingesteld. In het geval van Sickert is het kunstlicht van het Van Goghmuseum duidelijk niet subtiel genoeg om de stem van veel van zijn meest gevoelige schilderijen recht te doen.