Suggestie voor werkkampen onzinnig opvoedingsmiddel; De toegenomen geweldscriminaliteit speelt zich grotendeels tussen jongeren af

De verkiezingen komen er aan. Kennelijk is dit voldoende voor politici om op spreekbeurten in het land simpele oplossingen voor het ingewikkelde criminaliteitsprobleem uit de hoed te toveren.

Zo zie ik tenminste het voorstel van minister-president Lubbers, op een bijeenkomst in Almere, om voor criminele jongeren werkkampen in te richten. Toen de Engelse regering, als antwoord op de gruwelijke dood van een peuter, die is omgebracht door twee jongens, direct reageerde met strengere straffen voor jongeren, was mijn eerste gedachte: Nederland zou minder primitief en populistisch reageren. Een illusie dus, na de uitspraken van Lubbers. Hoe moet een politicus dan wel reageren op verontruste vragen uit de zaal? In de eerste plaats door nuchtere feiten te geven. Ten tweede door simpele oplossingen, waarvan we weten dat zij niet werken, te vermijden.

Van alle jongeren komt 3.3 procent (jongens 5.5 procent, meisjes 0.5 procent) in aanraking met de politie. Dit cijfer blijft door de jaren heen praktisch onveranderd. Er is zelfs sprake van een teruggang in de omvang van de jeugdcriminaliteit sinds 1980. Het zelfde beeld komt naar voren uit studies die de verborgen criminaliteit trachten op te sporen. Er is wel een toeneming van geweldscriminaliteit, maar die speelt zich grotendeels tussen jongeren af. Ook neemt het aandeel van meisjes in de jeugdcriminaliteit toe en is bekend dat de criminaliteit onder bepaalde groepen etnische jongeren (zoals Marokkaanse jongens) relatief hoog is. Zwartrijden, graffiti en winkeldiefstal zijn de misdrijven die jongeren veel plegen. Als wij het over de harde criminaliteit hebben gaat het om een relatief kleine groep.

Deze gegevens zijn te vinden in een recent rapport van het WODC, het onderzoeksinstituut van het ministerie van justitie (De ontwikkeling in Jeugdcriminaliteit 1992). De onderzoekers, Junger-Tas, Kruissink en Van der Laan, trekken de voorzichtige conclusie dat het preventiebeleid, de aanpak via de HALT-bureaus (waar jongeren, via de politie naar worden verwezen om te werken aan herstel van de schade) en het "lik op stuk'-beleid van de rechter, vruchten afwerpt. Politici kunnen met dit soort gegevens in de hand, het probleem van de jeugdcriminaliteit, tot zijn ware proporties terugbrengen. Daarmee is het nog niet opgelost.

Zijn werkkampen, het verscherpen van tucht en discipline op scholen, zoals Lubbers ook en passant vermeldt, dan het geschikte antwoord? Laat ik hier een andere vraag tegenover stellen: hoe komt het eigenlijk dat zo weinig jongeren "riskant gedrag' vertonen? Dingen doen die niet mogen is een normaal verschijnsel in de adolescentieperiode en toch - zo constateert ook het Sociaal en Cultureel Planbureau - is er sprake van "een conflictloze, harmonieuze overgang van jeugd naar volwassenheid' (Jongeren op de drempel van de jaren negentig, 1992). De moderne jeugd is alert, laat zich niets meer wijsmaken en let op de wereld van de volwassenen. Wat zij daar zien is niet echt verheffend. Veel drinken, te hard rijden, gerommel met sociale uitkeringen, milieuwetgeving die met voeten wordt getreden, subsidiegelden die verdwijnen, om over het oorlogsgeweld maar te zwijgen. En toch slaagt het overgrote deel van de jongeren er in om zonder kleerscheuren op te groeien. Ook internationaal bezien staat de Nederlandse jeugd er goed op, zo constateert de WRR (Jeugd in ontwikkeling, 1992). Dat ligt niet alleen aan de jongeren zelf, maar ook aan de ondersteuning die zij krijgen van het milieu thuis, de school, het verenigingsleven, de hulpverlening. Deze kennis vasthouden en nog beter inzetten voor jongeren, die het niet redden en tot crimineel gedrag vervallen, is een zinniger antwoord dan het inrichten van werkkampen, die in Nederland na de Tweede Wereldoorlog zijn afgeschaft.