Sint Bavo

Wie denkt dat de basisschool de basisvorming bijbrengt, vergist zich. Dat zou een veel te simpele conclusie zijn. De basisvorming komt na de basisschool, al is de basisschool wel weer onderdeel van de basisvorming. Wie zich over zulk woordgebruik verbaast, vergist zich ook. Zoiets is heel gewoon in onderwijsland. Zo hebben we particuliere scholen die toch voor honderd procent door de staat betaald worden en instellingen waar niets anders gebeurt dan dat enkele tientallen studenten zich er bekwamen in de katholieke theologie of de humanistische zielzorg en die desondanks niet meer gewoon seminarie of hogeschool heten maar universiteit. Zulke termen staan met het normale spraakgebruik op gespannen voet, maar ze zijn typerend voor het Nederlandse onderwijsbeleid, dat op verzoening en verhulling, kortom pacificatie, gericht is.

Ook de basisvorming, waarover wij uitvoerig hebben kunnen lezen in de bijlage die deze krant er op 25 februari jl. aan wijdde, is een schitterend produkt van het grote pacificatiespel. Links wilde, vooral op ideologische gronden, de middenschool. Rechts was hier juist vanwege die ideologische trekjes op tegen. Zo gebeurde er decennialang niets tot de zegenrijke vondst van de basisvorming werd gedaan. Het woord middenschool verdween uit het vocabulaire en elk van beide partijen kon betogen dat zij, tot op zekere hoogte, haar zin had gekregen. Er was dus alle reden de bavo bij voorbaat heilig te verklaren en dat is dan ook gebeurd.

De basisvorming komt er dus aan. Wat betekent dit voor een vak als geschiedenis? Een van de oogmerken van de basisvorming is dat de inhoud van de schoolvakken meer dan voorheen wordt bepaald "door maatschappelijke verschijnselen en problemen' en dat "toepassingsmogelijkheden van schoolse kennis meer aandacht moeten krijgen'. Tegen dat eerste zal niemand bezwaar hebben, al zie ik niet goed hoe de inhoud van het vak wiskunde door maatschappelijke verschijnselen bepaald kan worden. Voor een vak als geschiedenis is dit echter geen probleem want wat is er in de geschiedenis nu niet maatschappelijk? Met die "toepassingsmogelijkheden' ligt het wat moeilijker. Volgens de commissie die het programma moest uitwerken, de zogenaamde eindtermencommissie, betekent het dat in de geschiedenislessen "bestaansverhelderende historische vorming' wordt gegeven. Om duidelijk te maken wat dit is, heeft zij een lijst van "kerndoelen' opgesteld.

Deze kerndoelen - kennelijk zoiets als eindtermen maar toch ook weer wat anders bepalen voor elk vak dat de leerling bij de afsluiting van de basisvorming moet kennen en kunnen. Vooral dat laatste, want de basisvorming, zo wil het de leer, is gericht op "het ontwikkelen van bekwaamheden bij leerlingen waarmee zij nu en later in de samenleving kunnen functioneren'. De historische eindterminologen hebben het woord kennis dan ook met zorg vermeden en spreken op één enkele uitzondering na, bij hun kerndoelen uitsluitend van kunnen. Dit leidt tot fascinerend en intrigerend woordgebruik. Zo lezen we dat leerlingen "pre-agrarische, agrarische, agrarisch-stedelijke en industriële samenlevingen in de geschiedenis aan de hand van voorbeelden (kunnen) herkennen. Afhankelijk van de gekozen voorbeelden kunnen ze daarbij gebruik maken van de factoren arbeid, kapitaal, techniek, natuur, arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen'.

- "Jantje!'

- "Ja meneer.'

- "Zou jij eens aan de hand van een voorbeeld een pre-agrarische samenleving willen herkennen en daarbij gebruik maken van de factor arbeidsverdeling tussen mannen en vrouwen?'

- "Wat zegt meneer?'

Maar onze leerlingen kunnen na deze bestaansverheldering nog veel meer. Zo kunnen ze niet alleen gebruik maken van factoren, maar ook van aspecten. Dat gebeurt namelijk bij kerndoel 6. Bij kerndoel 7 kunnen ze weer wat anders. Hier maken ze niet meer gebruik van aspecten, maar kunnen ze "karakteriseren met het oog op (...) aspecten'. Zij kunnen namelijk "de betekenis van de Tweede Wereldoorlog karakteriseren met het oog op de volgende aspecten: crisis van de jaren '30; nationaal-socialisme en jodenvervolging, onderdrukking, verzet en collaboratie'. Met het oog op mijn rug kan ik niet komen, leerden wij vroeger.

Zo gaat het nog een hele tijd door. De leerlingen kunnen verschillen herkennen, zij kunnen veranderingen aangeven, zij kunnen met voorbeelden typeren, zij kunnen aan de hand van voorbeelden karakteriseren enzovoorts. De "ik-kan'-reeks is er niets bij.

Ik ben niet tegen het aanbrengen van vaardigheden. Ik heb ook niets tegen kerndoelen en eindtermen. Ik ben er voor dat bij het vak Verzorging het kerndoel "eieren bereiden' wordt opgenomen en dat leerlingen deze eieren aan de hand van voorbeelden kunnen typeren en karakteriseren, ze kunnen onderscheiden met het oog op de aspecten bakken, koken en pocheren en daarbij de factoren eigeel, eiwit en eischil duidelijk kunnen onderscheiden. Dat is heel nuttig. Maar ik zie niet goed hoe men het bestaan of het onderwijs verheldert door een vak als geschiedenis, dat eenvoudigweg, enige kennis over en enig inzicht in het verleden wil bijbrengen, te omschrijven als een reeks uiterst onverhelderende vaardigheden.

Waar het in de praktijk op neerkomt, is dan ook iets anders. De lippendienst aan de "vermaatschappelijking', de "toepassingsgerichtheid' en de "eigen betrokkenheid' van de leerling, heeft geleid tot een zeer sterke "actualisering' van de leerstof. De lijst van kerndoelen is niet chronologisch maar thematisch opgezet en geeft dus niet duidelijk aan hoeveel aandacht de verschillende perioden van de geschiedenis (oudheid, middeleeuwen, etc.) moeten krijgen. Men kan dit echter zonder veel moeite afleiden uit het overzicht, van de met name genoemde onderwerpen. Daar vinden wij bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog, de moderne massacultuur, de Noord-Zuidverhouding en dergelijke. De historicus I. van Manen heeft in een artikel in Kleio (oktober 1992) berekend dat dit tot gevolg heeft dat bijna de helft van de basisvorming betrekking heeft op de twintigste eeuw, een kwart op de negentiende eeuw en de rest op de tijd daarvoor. Driekwart van de geschiedenislessen gaat dus over de laatste tweehonderd jaar. De overige meer dan tweeduizend jaar zullen in de eerste paar maanden van de brugklas worden behandeld. Het is mogelijk dat dit onderwijs bestaansverhelderend is, maar met geschiedenis heeft het niet veel meer te maken.