School verkleint niet sociale verschillen

"Het is jammer voor deze onheilsprofeten, maar het nieuws hebben ze gemist', zegt Harry Ganzeboom in W&O van 25 februari. "Ik heb me nogal geërgerd aan al die sombere berichten van Wansink en het Sociaal Cultureel Planbureau', vervolgt de Nijmeegse socioloog. "De afgelopen dertig jaar (bedoeld is tussen 1950 en 1980) is het effect van het ouderlijk milieu op het uiteindelijk bereikte onderwijspeil van hun kinderen gehalveerd en als die trend aanhoudt is dat effect over een jaar of dertig zo goed als verdwenen', concludeert onderzoeker Ganzeboom.

Illusie

In mijn boek Een school om te kiezen kom ik tot de slotsom dat het traditionele geloof in de school als middel om verschillen tussen sociale groepen te nivelleren, een illusie is gebleken. Naast dit slechte nieuws sta ik echter ook uitgebreid stil bij het goede nieuws. Om te beginnen, schrijf ik, is het opleidingspeil van de bevolking spectaculair gestegen: in 1990 had 51% van de beroepsbevolking minimaal MBO-, HAVO- of VWO-niveau, in 1980 was dat nog 35%. In de tweede plaats is het onderwijs op individueel niveau wel degelijk een voertuig om "hogerop te komen', maar de oververtegenwoordiging van de rijkeluiskinderen op de universiteit is nog steeds enorm. Ten derde vond een spectaculaire emancipatie van de meisjes plaats. Zij liepen hun achterstand op de jongens bij het volgen van VWO en hoger onderwijs in. Dit kan niet uit het onderwijsbeleid worden verklaard, maar is het gevolg van gelijke behandeling van dochters en zonen door hun ouders en docenten.

Opleidingsmobiliteit

Ganzeboom signaleert in zijn onderzoek "een duidelijke trend naar meer opleidingsmobiliteit'. Ik ook. Maar het is gezichtsbedrog te menen dat "onderwijs toch sociale verschillen vermindert'. Als het algemene peil van de bevolking stijgt, is het natuurlijk logisch dat de absolute afstand tussen de opleiding van de vader en die van het kind toeneemt. Inderdaad is er gedurende deze eeuw sprake van het slechten van allerlei financiële en psychologische obstakels, die "verder leren' van kinderen uit "lagere standen' belemmerden. Maar dat doet niet af aan het feit dat de school verschillen in begaafdheid tussen kinderen niet kan verkleinen.

Deze verschillen zijn nog immer sterk bepaald door het ouderlijk milieu. Om te beginnen is intelligentie voor minstens de helft genetisch bepaald. Deze neurofysiologische structuren vormen als het ware de "hardware'. Hoe de menselijke computer zijn opdrachten uitvoert, is afhankelijk van het pakket "software', waarmee hij is uitgerust. Kinderen krijgen van huis uit niet dezelfde software mee. De wijze van opvoeden bepaalt in hoeverre het kind strategieën en procedures om problemen op te lossen heeft meegekregen. Het milieu van het kind speelt hierbij een voorname rol, niet als optelsom van uiterlijke kenmerken (waarop Ganzeboom zich fixeert), maar als culturele praktijk. In geletterde milieus is de kans groter dat kinderen de juiste denkvaardigheden, die voorwaarden zijn voor een succesvolle schoolloopbaan, verwerven dan in een milieu van ongeletterde werklozen.

Ik acht het dan ook uitermate onwaarschijnlijk dat over dertig jaar het effect van het ouderlijk milieu op het opleidingspeil van de kinderen is verdwenen, nature en nurture versterken elkaar zodanig dat, zoals ook het Sociaal en Cultureel Planbureau constateert, het percentage arbeiderskinderen dat kiest voor de hogere vormen van voortgezet onderwijs onverminderd laag blijft. Vijftien jaar onderwijsstimuleringsbeleid heeft geen enkel meetbaar resultaat opgeleverd. De "maakbaarheid van het kind' door de school is beperkt, en dat betekent dat de pretenties van de sociaal-democratische onderwijspolitiek drastisch moeten worden bijgesteld. (In zijn proefschrift Structurele en pedagogische determinanten van schoolloopbanen, Rotterdam 1989, geeft Paul Leseman een uitstekende analyse van de factoren die het schoolsucces bepalen en van de oorzaken van het falen van het grootste onderwijsstimuleringsproject van Nederland, het Rotterdamse Onderwijs en Sociaal Milieu.)

Ganzebooms uitspraken over meritocratie zijn ondoordacht. "Diploma's bepalen alles', stelt de socioloog. Ik denk dat hij het nieuws van de jaren tachtig en negentig gemist heeft, want het meritocratiseringsproces is veel complexer dan hij denkt. De arbeidsmarkt heeft een proces van meritocratisering doorgemaakt. Een academische graad is allang niet meer een garantie voor een interessante baan met een hoog inkomen. Omgekeerd is het zeer wel mogelijk om als (technisch) geschoolde arbeider of kleine zelfstandige een hoog inkomen te hebben. De voorspelbaarheid van het verloop van de loopbaan is in het algemeen veel geringer geworden. Het verband tussen een hoge opleiding en een hoog inkomen is dus minder eenduidig dan voorheen, al zijn de laaggeschoolden onder werklozen nog steeds oververtegenwoordigd. Stijging en daling op de maatschappelijke ladder is dus veel minder een simpele kwestie van schoolsucces dan in de jaren vijftig en zestig werd (en door Ganzeboom wordt) aangenomen.

In zijn vorig jaar verschenen boek The end of equality poneert de Amerikaanse journalist Mickey Kaus de stelling dat de meritocratisering van de maatschappij in een nieuw stadium is beland: gelijke kansen leiden niet langer tot emancipatie van achtergestelde groepen, maar juist tot vergroting van ongelijkheid. Hoe belangrijker opleiding en training worden bij het verwerven van een goede baan, des te sterker de - sociaal bepaalde - ongelijkheid van talent zich manifesteert.

De Amerikaanse economie draait, net als de onze, op hooggekwalificeerde arbeid. De niet-intellectuele werkgelegenheid beperkt zich steeds meer tot persoonlijke dienstverlening: winkel- en horecapersoneel, bewakers, taxichauffeurs, verplegers. Werk dat slechter wordt betaald dan de verdwijnende banen in de industrie. Hoe minder goede posities er te verdelen zijn, des te harder de competitie en de kans op sociale achteruitgang. Sinds het midden van de jaren tachtig zijn in Amerika zo'n twee miljoen arbeidsplaatsen voor hoger opgeleiden verloren gegaan.

Dumpies

In Nederland is sinds het topjaar 1990 het aantal vacatures voor hoogopgeleiden met veertig procent gedaald. De rijksoverheid werft nauwelijks, de grote concerns zijn aan het afslanken en/of fuseren. De jaren negentig worden het decennium van de dumpies, de downward urban mobile professionals.

Ook de concurrentie aan de onderkant van de arbeidsmarkt is verhevigd. De komst van nieuwe groepen immigranten zorgt voor nog meer aanbod van ongeschoolde arbeidskrachten. Stimuleerde de meritocratie tot in de jaren tachtig de vooruitgang en de sociale rechtvaardigheid, in een situatie van verscherping van de concurrentie op de arbeidsmarkt, versterkt zij juist de sociale polarisatie. Ik heb dit de stressmaatschappij genoemd (in Intermediair van 23 oktober 1992), de maatschappij waarin niemand zeker is van zijn positie. Wie het niet maakt, heeft geen excuus: het is je eigen schuld als je je kansen niet benut. De stressmaatschappij manifesteert zich in de neiging van groepen zich af te schermen van de rest van de samenleving en in een zich terugtrekken uit publieke activiteiten. Iedereen is vooral met zichzelf bezig.

Kennis is dus kapitaal dat aan een snelle inflatie onderhevig is. Je hebt er alleen wat aan als je er meer van hebt dan je concurrenten. Op de arbeidsmarkt is een hoge opleiding geen garantie voor een hoog inkomen, een laag opleidingsniveau correspondeert wel met een ongunstige positie op de arbeidsmarkt. Dit probleem kan echter per definitie niet door het onderwijs worden opgelost. Er blijft immers altijd een categorie mensen met het laagste opleidingsniveau bestaan. Niet het onderwijs, maar de arbeidsmarkt is de sleutel tot vermindering van sociale ongelijkheid. Volledige werkgelegenheid zou tot grotere sociale rechtvaardigheid een veel grotere bijdrage leveren dan het onderwijs ooit vermag.

Op 31 maart organiseert de Wiardi Beckman Stichting een studieconferentie over Wansinks Een school om te kiezen. Opgeven kan nog voor 22 maart bij Vera van Lingen, telefoon 020-5512155.