Klaus is de man van de kaarsrechte weg

PRAAG, 18 MAART. Het land waarvan hij premier is mag dan sinds 1 januari van dit jaar met eenderde zijn gekrompen, het ego van de Tsjechische premier Václav Klaus heeft daar allerminst onder geleden. Integendeel zelfs, na de splitsing van de Tsjechoslowaakse federatie in een Tsjechische en een Slowaakse republiek lijkt het zelfvertrouwen van Klaus alleen nog maar versterkt.

De resultaten van het transformatieprogramma dat Klaus in 1990, toen hij nog minister van financiën van de federatie was, op poten heeft gezet, hebben zijn gelijk alleen maar bevestigd. De inflatie - vorig jaar 11,1 procent - is de laagste van de vroegere communistische landen in Oost-Europa, de werkloosheid in de Tsjechische republiek is ongeveer 2,5 procent, de laagste van heel Europa, “waarschijnlijk van de hele wereld”, zoals hij zelf zegt. Klaus - die vandaag in Nederland is - mag er dan ook graag fijntjes op wijzen dat het gemiddelde werkloosheidscijfer in de EG 10,9 procent bedraagt.

Klaus is de kampioen van de vrije markt, een vrije markt “zonder adjectieven”, zoals hij eens heeft gezegd. Daarmee bedoelt hij dat er geen elementen aan dat principe moeten worden toegevoegd die het kunnen verzwakken. De toevoeging “sociaal” - in de in veel Oosteuropese landen gepredikte “sociale markteconomie” bijvoorbeeld - vervult Klaus met diepe achterdocht. “Ik denk niet dat er een betere sociale politiek is dan een krachtige en functionerende markteconomie”, zo luidt zijn adagium.

De principes van de markteconomie, zoals gedefinieerd door de Amerikaanse econoom Milton Friedman, vertegenwoordigen voor Klaus de maat van alle dingen. Dat betekent dat elke vorm van staatsinterventie moet worden afgeschaft, een eind moet worden gemaakt aan de prijssubsidiëring en dat een sociaal vangnet alleen moet worden geïnstalleerd voor degenen die echt niet zonder kunnen, bejaarden, gehandicapten, arbeidsongeschikten.

Klaus is wars van allerlei pogingen om “kunstmatige, allesomvattende superstructuren” in het leven te roepen. “Ik heb lang in Oost-Europa geleefd als een slachtoffer van communistische dogma's en ik ben werkelijk bang voor human design, hoe goedbedoeld ook. Ik geloof in human action, spontane institutionele evolutie, niet in het opleggen daarvan door een deel van de maatschappij op het andere”, zei hij ooit over de plannen van de Europese Gemeenschap om een Europese monetaire unie op te richten. Een premature monetaire unie zou volgens Klaus meer schade berokkenen dan goed doen.

In dezelfde categorie valt volgens de Tsjechische premier het Verdrag van Maastricht, alweer een “kunstmatige en onnodige poging” om het Europese integratieproces te bespoedigen. Terwijl de Tsjechische regering nu juist bezig is allerlei interventie-praktijken af te schaffen heeft zij er geen behoefte aan die “via de EG weer in te voeren”, zei Klaus een paar maanden geleden in een vraaggesprek met een Tsjechische krant.

Natuurlijk, lidmaatschap van de Europese Gemeenschap is en blijft het belangrijkste doel van de Tsjechische buitenlandse politiek, maar in de loop van de tijd heeft de Tsjechische premier een groot aantal uitspraken gedaan die de indruk wekken dat niet Tsjechië in Brussel staat aan te bellen, maar andersom, de EG in Praag. Want een forse dosis pedanterie is Klaus niet vreemd. Zo zei hij deze week in Praag nog dat het noodzakelijk is “om voortdurend duidelijk te maken hoe de Tsjechische republiek Europa ziet en waarop het aanstuurt”. Europa, zo zei Klaus in 1991 al, “is meer dan alleen de Europese Gemeenschap. Tegenwoordig is Europa groter dan twee jaar geleden en de EG moet ophouden zich te gedragen als een exclusieve club.”

Europa, zo vindt Klaus, ontleent zijn betekenis en kracht aan zijn veelvuldigheid, Europa was nooit bedoeld om verschillen weg te werken. Een groot aantal Europeanen zoekt zijn identiteit niet in een paneuropese eenheid zonder grenzen, maar wil Europees zijn zonder op te lossen in een vage identiteit.

Even gereserveerd als hij is tegenover bepaalde vormen van integratie van de Europese Gemeenschap, stelt Klaus zich op tegenover de samenwerking van de landen in de zogeheten Visegrad-groep: Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. Dat is volgens de Tsjechische premier weer zo'n van bovenaf opgelegd model dat niet spontaan uit een behoefte is voortgekomen, maar eerder is ontstaan in de breinen van EG-politici. Zijn grootste zorg is dat de Visegrad-samenwerking opgevat zou kunnen worden als een soort Midden- en Oosteuropese tegenhanger van de EG, wat de uiteindelijke toetreding van zijn land alleen maar zou vertragen. Klaus bestrijdt dan ook de vaak in Brussel geuite gedachte dat toetredingsonderhandelingen van de Visegrad-landen het best gelijktijdig zouden kunnen plaatshebben. Hij meent dat die onderhandelingen wat Tsjechië betreft al over een jaar of drie zouden kunnen beginnen.

Voor Klaus moet de weg naar Brussel kaarsrecht zijn: de Tsjechische republiek moet beschouwd worden als een “normaal Europees land met alle rechten”, als een “gelijkberechtigde partner”. Hoe meer de Europese Gemeenschap open staat voor Tsjechische produkten, des te sneller zal het land kunnen toetreden.

Voorlopig zal echter nog eerst een nieuw associatieverdrag tussen Tsjechië en de EG moeten worden gesloten, ter vervanging van het ondertekende, maar niet geratificeerde verdrag met de Tsjechoslowaakse federatie. Zijn bezoek aan Den Haag is ongetwijfeld bedoeld om de weg daarheen te effenen.

Toen vorig jaar enkele leden van het Europese parlement zich wat sceptisch hadden uitgelaten over de snelheid waarmee dat zou kunnen gebeuren, liet Klaus met zijn even innemende als malicieuze glimlachje weten dat niet “politici van de tweede of derde garnituur” daarover hadden te beslissen, maar alleen leidende figuren als Major en Kohl. Waarmee hij in elk geval bewijst het klappen van de Europese zweep al aardig te kennen.