Het uniform

's Zondagmiddags is het centrum van Nairobi uitgestorven. In de schaduw van suikerklont-witte en rookglazen wolkenkrabbers in aanbouw - kantoortorens, banken, luxe hotels - wordt de sensatie dat ik rondloop in een zojuist door een neutronenbom getroffen stad haast sterker dan me lief is. Kale jacaranda's staan onaards blauw in bloei, de blaadjes zacht onder de voeten. Straatklokken wijzen verschillende tijden aan. Bij de roerloze marktplaats rotten bergen vuilnis zonder de zwerfkinderen die er de hele week als vliegen rondzwermen op zoek naar eetbare resten. De hoeren zijn naar huis, naar de kerk of doen de was. “Wanna safari?” Zelfs de toeristenlokkers zijn lusteloos. “Hoeveel hebt u voor die schoenen betaald? Ik wil ze niet kopen.” Aan de Kenyatta Avenue hebben de schoenpoetsende mannetjesputters wel een scharrelarij in de zin, maar zelfs zij spelen niets klaar. Knokige, gebleekte Europeanen staan met hun vinger in de reisgids, gebocheld door rugzakjes, te treuzelen bij tijdschriften die op het trottoir te koop liggen uitgespreid. Kijk uit voor u ze koopt, de Time, The Economist: de maand klopt, maar het jaar is verlopen.

Het Uhuru-park - eindelijk leven! Muziek van een revival-club beneden zweeft omhoog langs de westelijke helling naar de Cathedral Boulevard. Op een laag podium met versterkers torenend achter op de hoeken, kweelt een kwintet pinkstergelovigen uitgedost in hun zondagse goed over Jezus, in lieflijke close harmony. Er zou meer applaus zijn als niet zoveel toehoorders aan ijsjes likten of hotdogs aten. Minnepaartjes zitten her en der in het gras, de meisjes lijken op de zwarte schone op mijn stuk Lux-zeep in het hotel. Een man doet zijn jack uit om het over de benen van zijn vriendinnetje te leggen, en drukt zijn hoofd in haar schoot. Ze kijkt strak de tunnel van zijn oor in.

Alle openbare plees - een soort uit de rots gehouwen berenhokken - zijn op slot, bordjes jagen de behoeftigen van deur tot afgesloten deur. Beneden glinstert een centrale vijver waar je roeibootjes kunt huren. De rij lijkt er eerder een van dagen dan van uren. De bootjes op de vijver zijn zo vol dat ze tot de dollen in het water steken, vier kinderen per riem. Het tafereel zou het fantastisch doen als affiche voor gezinsplanning. Links en rechts, terwijl we diagonaal het glooiende park in lopen, duwen te warm aangeklede peuters speelgoedvogeltjes aan een lang ijzerdraad voort. Geschilderde houten vleugeltjes klapwieken, de kinderen krijsen het uit. Een magere venter die dolkscherpe zakjes pinda's verkoopt, loopt rond met de blik van een ekster, doelloos rinkelend met een handje shillings.

Van lieverlede bereiken we de samenscholing in het midden van het park, een vrij wijde kring, een aantal rijen zittenden op de grond, daarbuiten rijen omstanders. Op mijn tenen staand, in de verwachting een bijbelverkoper of een doemprofeet te zien, val ik haast achterover, want wat zie ik daar heen en weer benen, sprongen maken en buitelen? Twee travestie-komieken. Pruiken op, heupen, borsten en billen opgevuld met kussentjes. Eén in een zwart-witte noppenjurk en op bouwvakkersschoenen. De ander in een strak, glimmend rood japonnetje en op wankele naaldhakken. De make-up is niet gespaard. Ze schichten in het rond, boeren, laten winden, spugen, botsen, kibbelen, vallen - en maar ratelen, beurtelings in het Engels en in het Swahili, een tirade over prijzen, verkiezingen, democratie en AIDS. Het is het eerste straattheater dat ik ooit in Afrika ben tegengekomen! Het publiek ligt continu in de kreukels van het lachen.

Dan versteent het tableau. Ik zie ze kijken naar mijn witte gezicht dat opbolt tussen de zwarte.

“Brother!” Noppenjurk komt op me toe waggelen. Honderden gezichten wenden zich om. Ik wil vluchten - maar haal diep adem en de paniekvisioenen van lynchpartijen met mij als slachtoffer vervluchtigen. “Waar kom je vandaan?”

“Holland.”

“Een land waar ze a good queen ("koningin' en "nicht') weten te waarderen.” Hand op de heup, heup gekanteld.

“Welkom. Peace, broeder. Ben je getrouwd?”

“Nee.”

“Trouwplannen?”

“Nee.”

“Broeder, heb je een zuster?”

“Ja.”

“Ah! Overdag ben ik, zoals je ziet, een vrouwspersoon, maar 's nachts...” Snelle bekkenstoten, joelend gelach. “Broeder, laten we onze zusters ruilen, op z'n Afrikaans. Amuseer je je hier?”

“Ja.”

“Heb je ook centjes?” De Dame in 't Rood stuift op me af, hand uitgestrekt. De omstanders wijken uiteen.

“Dit is alles.” Ik haal mijn zak leeg en giet de munten in de immense handpalm van de Dame.

Ze zuigt minachtend tussen haar tanden, hoodschuddend, de blik op mijn offerande. “Arm jochie.” Aan mijn voeten buldert het publiek.

“Broeder”, Noppenjurk klapt in haar handen, ijsbeert af en aan, “ben jij geen rijke masoengoe? Heb jij geen baan?”

“Nee, broeder. Geen baan.”

“Ah!” Noppenjurk begint te schokken en te beven. Ze springt in het rond. “Dan hebben wij iets voor jóú. Een uniform. De enige dracht voor werkloze mannen in het Kenia van nu.” Hij/zij rommelt in een grote kartonnen doos vol attributen, voorwerpen alle kanten op slingerend, tot ze ten slotte een bonte bloemenjurk te voorschijn haalt. “Voor jou, broeder, tot er betere tijden aanbreken!”

Hij houdt de jurk boven zijn hoofd en schudt hem uit als een vaandel in de helle zon.

Vertaling René Kurpershoek