Dichte gaten vullen

Wanneer moeten vullingen in tanden en kiezen worden vervangen? Deze vraag is vooral actueel voor wie van tandarts verandert.

Want hoe vaak hoort men mensen niet klagen dat een andere tandarts vaststelt dat een groot aantal vullingen moet worden overgemaakt. Dat overleggen van vullingen vormt een bron van veel frustratie voor de patiënt en een onderwerp van pittige discussie, niet alleen tussen patiënt en tandarts, maar ook tussen beroepsgenoten. Tandartsen verschillen onderling vaak sterk van mening over het al dan niet vervangen van oude vullingen. De vraag blijft steeds welke wetenschappelijke criteria er zijn om een vulling te vernieuwen.

In een recent Brits overzichtsartikel wordt uitgebreid op dit onderwerp ingegaan. De auteurs baseren zich op onderzoek dat voornamelijk in normale tandartspraktijken werd uitgevoerd. De tandartsen noemen het ontstaan van nieuwe gaatjes - in vaktaal secundaire cariës - de belangrijkste reden om vullingen te vernieuwen. Daarnaast worden, afhankelijk van het type vulling, verkleuringen, breuken in de vullingen of in de gebitselementen vaak genoemd.

Naar dit optreden van secundaire cariës is veel histologisch onderzoek verricht. Met behulp van de microscoop werden coupes uit pas getrokken tanden en kiezen bestudeerd en daaruit blijkt dat secundaire cariës op twee plaatsen kan ontstaan: aan de buitenkant van de kies of tand en binnenin, grenzend aan de vulling. Het gat op de buitenkant ontstaat net als cariëslesies op gave gebitselementen door werking van bacteriën in de mond die suikers uit de voeding tot zuur vergisten.

Tandbederf in de kies ziet men alleen als er lekkage heeft plaatsgevonden van mondvocht en bacteriën tussen de vulling en de caviteitswand. Deze cariës doet denken aan het werk van een sluipmoordenaar. Binnenin wordt eerst stiekem het zachte tandbeen aangetast en daarna al snel het aangrenzende glazuur ondermijnd. Het gevolg is eerst vage en later ernstige pijnen bij warme en koude prikkels, zenuwontstekingen, breuken in het gebitselement. Soms is trekken nodig.

De lekkage rond de vullingen is uitgebreid in het laboratorium onderzocht. Men gebruikt hier verschillende technieken, variërend van het toepassen van kleurstoffen, luchtdruk en zelfs radioactieve isotopen. De conclusie is dat het onmogelijk is een volledig afgesloten vulling te maken. Of het nu amalgaam-vullingen zijn, of witte composiet-materialen, of gouden inlays of nieuwe glasionomeercementen, alle vertonen op den duur lekkage. Speciale nieuwe vultechnieken kunnen het proces wel vertragen en sommige nieuwe cementen kunnen fluoride afgeven, waardoor het cariës-proces kan worden tegengegaan. Factoren die een rol spelen bij het ontstaan van lekkage zijn natuurlijk de manuele vaardigheden van de tandarts. Maar ook de kwaliteit en het type vulmateriaal speelt een rol en vooral de mondhygiëne van de patiënt, de conditie van het speeksel en de voedingsgewoonten.

Vullingen van amalgaam en vooral van goud kunnen langer verantwoord in de mond blijven dan de andere typen. De levensduur van vullingen is overigens moeilijk te onderzoeken. Allereerst zijn de onderzoekers het er niet met elkaar over eens hoe ze de levensduur moeten onderzoeken. Dit leidt tot verschillende onderzoeksopzetten waarvan de resultaten moeilijk vergelijkbaar zijn.

De conclusie dat gouden inlays en emalgaamvullingen het langst goed blijven ligt dan ook onder vuur. De gouden restauraties worden meestal door ervaren tandartsen geplaatst bij een selecte groep patiënten die zich in financiële zin veel kan veroorloven. Op sommige plaatsen, namelijk op de zijkanten van de gebitselementen waar geen grote kauwkrachten werken, zijn de witte composietvullingen het best. En van de nieuwe ionomeercementen is nog te weinig onderzoeksmateriaal verzameld om te kunnen vaststellen hoe lang de houdbaarheid ervan is.

De auteurs pleiten in hun artikel voor een betere preventieve aanpak van de secundaire cariës en stellen vast dat dit een van de doelstellingen van de restauratieve tandheelkunde in de toekomst zal moeten zijn.

(Secondary Caries International Dental Journal, 1992, 42, 127-138)