DE PADEN OP?

Het begrip gezond bestaat geheel uit elastiek want het wordt in hoofdzaak subjectief gedefinieerd. Sommigen zoeken gezondheid in dieetvoeding, anderen in exotische importen als ginseng en zeewier terwijl velen menen dat lichamelijke inspanning gezond is. Dat volksgeloof is tamelijk nieuw, zeker op de schaal waarop het is verbreid en aanvaard. De cardioloog van president Eisenhower, dr. Paul Dudley White, een even scherpzinnig als praktisch man, verbaasde zijn collega's door op de fiets te komen en de deugden ervan aan te prijzen in het volledig geautomobiliseerde Amerika van de jaren zestig.

De impuls tot lichamelijke inspanning is zeker niet alleen het gezondheidsstreven van de enkeling geweest. De verstedelijking, de welvaart en de vrije tijd van het weekend hebben ook bijgedragen aan een herontdekking van de natuur, dichtbij en veraf, met de genoegens van verre trektochten, skiën, racefietsen of surfen. Modes hebben daar ook invloed op gehad. Mensen willen er eeuwig jong, gebruind en slank uitzien, maar het ziet ernaar uit dat in grote delen van onze samenleving de behoefte aan lichamelijke inspanning in allerlei vorm blijvend is.

De vraag is, of het behalve aangenaam, ook gezond is en daarbij past enige scepsis. Om te beginnen valt intensieve sportbeoefening in een levensfase die dat toelaat - tussen de 20 en 30 jaar. Als werk, gezin en carrière hun tol eisen, zakt fysieke inspanning meestal ook af tot incidentele vrijetijdsbesteding.

Een tweede probleem is het aantonen van gezondheidseffecten van inspanning op harde eindpunten als ziekte of levensverwachting. Er moet dan behalve voor inspanning ook gecorrigeerd worden voor andere variabelen, zoals voeding of roken.

Kortgeleden zijn er twee grote onderzoeken gepubliceerd die sterfte en lichaamsbeweging bij gezonde middelbare mannen over vele jaren hebben bestudeerd. Het eerste onderzoek startte in 1972 in Noorwegen bij bijna 2000 gezonde mannen tussen 40 en 60 jaar. Bij insluiting in het onderzoek werden risico-indicatoren voor een hartlijden zoals bloeddruk, cholesterol, bloedsuiker en andere gemeten en de lichamelijke fitheid werd beproefd op een fietsergometer tot het individuele maximum.

Na een gemiddelde observatieduur van 16 jaar waren 271 mannen overleden, ruim de helft aan een hartziekte. Wanneer verrekening plaats vond voor variabelen als roken, leeftijd, bloeddruk etc. was de totale sterfte in drie van de vier klassen van fitheid dezelfde, maar de cardiovasculaire sterfte was minder bij een hogere fitheidsklasse. De laagste fitheidsklasse had echter ook een tweemaal hogere totale sterfte dan de hoogste.

In Noorwegen lijkt dus de mate van fitheid, eenmalig als maximuminspanning op de fietsergometer vastgelegd, een onafhankelijke, evenredige aanwijzing voor het risico van overlijden aan een hartaandoening bij gezonde middelbare mannen te zijn, terwijl alleen een hoge mate van fitheid de totale sterfte vermindert. Die was dan ook in de hoogste fitheidsklasse bijzonder laag en zou kunnen berusten op een erfelijk patroon. Zo werd de maximale zuurstofopname bij inspanning gemeten en de uitkomst daarvan, als fitheidsmaat, lijkt voor een deel erfelijk bepaald.

Het tweede onderzoek betrof oud-leerlingen van Harvard, die al jaren met vragenlijsten worden bestookt inzake levensstijl en gezondheid. Van ruim 10.000 mannen die bij drie gelegenheden tussen 1962 en 1977 zich als gezond op de vragenlijst aanmeldden, werd de sterfte tussen 1977 en 1985 geanalyseerd, opnieuw met verrekening voor roken, inspanning, bloeddruk en lichaamsgewicht. Matige inspanning hing samen met een kwart lagere totale sterfte dan ontbreken van inspanning terwijl het al dan niet roken van sigaretten een verschil in totale sterfte van 41 procent opleverde, als vergelijking. Ook vermijding van overgewicht en een normale bloeddruk droegen bij tot een langere levensverwachting, met minder totale sterfte en minder hartdood.

Tot zover bevestigen beide onderzoeken opnieuw wat al vaker is verondersteld en onderzocht: dat een leven in matiging, met normaal gewicht en bloeddruk, enige lichamelijke inspanning en niet roken, bijdragen tot een gezond hart en soms tot een langer leven. Toch zijn er problemen met dit soort langlopende onderzoeken. Wie rapporteert dat hij zich lichamelijk niet inspant, heeft daar misschien redenen voor die met verborgen ziekte of gebrek te maken hebben. Wie aan de andere kant zich buitengewoon inspant, neemt misschien nog andere gezondheidsmaatregelen (zoals staken van roken, vermageren of het volgen van een dieet) die invloed op het totale resultaat hebben.

De maximale winst van levenslange matige inspanning in het Amerikaanse onderzoek werd berekend op gemiddeld negen maanden, een relatief bescheiden winst die ook nog door andere variabelen kan worden verklaard.

Die investering in gezondheid door inspanning wordt uitgekeerd in de laatste fase van het bestaan en draagt dan niet altijd bij tot de kwaliteit van leven. In het Noorse onderzoek veranderde de totale sterfte bij matige inspanning niet maar nam de kans op een dodelijke hartziekte af. Het illustreert ook het probleem van de concurrerende of vervangende sterfte: hoe gezond ook, uiteindelijk sterven we aan ziekte of gebrek.

Bij dat alles blijft het onduidelijk op welke manier inspanning bijdraagt tot gezondere harten en bloedvaten. Een lagere hartfrequentie en bloeddruk in rust en bij inspanning spelen mogelijk een rol bij de voorkoming van hartziekten naast een lager lichaamsgewicht en cholesterol.

Als er eenmaal manifeste ziekte is opgetreden, zoals een hartinfarct, dan lijkt het erop dat lichamelijke inspanning daarna op zichzelf geen invloed heeft op ziekte en sterfte en dat forse inspanning een gering risico van plotselinge hartdood met zich brengt.

Minder hartziekten door meer beweging lijkt aannemelijk maar het is geen medicijn en zeker geen levenselixer dat ons leven lang en aangenaam verlengt. De belangrijkste motieven voor die lichamelijke inspanning zijn dan ook gebonden aan de directe voldoening, het zich fit voelen, de mogelijkheid om zich flink in te spannen en daarvoor vormen en activiteiten te kiezen die passen bij de eigen levensstijl en levensfase. Dat daarbij enig uitstel van hartziekte wordt verkregen is mooi meegenomen maar zelden de impuls tot bewegen. Bovendien is al het inspanningsonderzoek gericht op middelbare mannen, in de jaren zeventig een bedreigde diersoort vanwege de epidemie van hart- en vaatziekten. Vrouwen komen in vrijwel geen enkel onderzoek voor, maar dat geldt ook voor de electrocardiografie en andere zaken. De risicopopulatie wordt het eerst onderzocht om tot conclusies te komen voordat de algemene bevolking wordt onderzocht.

Wie zich de paden op en de lanen in laat jagen door dokters, fitness profeten, gezondheidsfanatici of de reclame is wetenschappelijk niet gehouden een voet te verzetten. In allerlei observaties lijkt inspanning hartziekten te voorkomen en misschien het leven te verlengen maar het bewjs is, door de aard van de probleemstelling, niet waterdicht. Het is zeker geen medicijn voor wie wat heeft of vreest en het gezond verstand zegt dat er voor een gezond leven meer nodig is dan inspanning. Plezier is daarbij een beter motief tot lichamelijke beweging dan angst, mode of schuldgevoel. Alle hardlopers zijn tenslotte doodlopers.

Curfman, CD: The health benefits of exercise. A critical reappraisal. New England Journal of Medicine. 25 februari 1993, pagina 574-75