De chemie van Van Gogh

Vincent van Gogh was niet gek. Hij leed aan een erfelijke stofwisselingsziekte, meent de Australische biochemicus Arnold.

Vincent van Gogh pleegde op 27 juni 1890 zelfmoord door een schot met een revolver in zijn buik. Een buikschot is niet de meest effectieve manier om een leven te beëindigen. Hij overleed pas twee dagen later. Waarom schiet een zelfmoordenaar zich in zijn buik?

De biochemicus prof.dr. Wilfred Arnold vermoedt dat hij het antwoord weet. Volgens hem leed Van Gogh aan acute intermitterende porfyrie (AIP). Daaraan zouden ook zijn psychosen te wijten zijn. Een AIP-aanval begint vrijwel altijd met hevige buikpijn. ""Als Van Gogh die middag van de 27ste juli weer een crisis doormaakte is het mogelijk dat buikpijn de richting van de revolverloop bepaalde.'' schrijft Arnold in zijn recente boek Vincent van Gogh, chemicals, crises and creativity.

Van Gogh was bij zijn dood 37 jaar oud en had, na baantjes in de kunsthandel en een poging predikant te worden, toen bijna tien jaar als kunstschilder gewerkt.

De laatste vijf jaar van zijn leven werkte hij in Frankrijk. Eerst ruim twee jaar in Parijs. Toen ruim een jaar in Arles in de Provence, gevolgd door een jaar in een psychiatrische kliniek in het nabije St. Rémy en ten slotte twee maanden in Auvers sur Oise, zelfstandig wonend op een huurkamer, maar in feite voortdurend onder toezicht van dokter Gachet.

In de laatste tweeëneenhalf jaar maakte Van Gogh zes psychiatrische crises door, in duur variërend van een week tot ruim twee maanden. Hij hallucineerde, leed aan achtervolgingswanen en was depressief. Beroemd is de korte crisis, in december 1888 waarbij hij een deel van zijn linker oor afsneed en aan een prostituée offreerde. Tussen de crises werkte hij hard en ontstonden zijn beroemdste werken. In zijn laatste twee jaar had hij een produktie van 25 werken per maand.

Over de vraag welke ziekte Van Gogh had, lopen de meningen uiteen. Aantrekkelijk voor sommigen was het romantische idee van een door geestesziekte gekwelde kunstenaar, die in zijn laatste paar levensjaren als een razende aan het werk was. De zwervende bohémien die in armoede en gebukt onder ziekte zijn pas na zijn dood beroemd geworden oeuvre schiep, was ook favoriet. Anderen omhelsden het idee van een ongelukkige die aan "atypische epilepsie' leed, een mode-diagnose in Frankrijk aan het eind van de vorige eeuw.

Als diagnoses zijn verder nog opgevoerd: een vorm van epilepsie, schizofrenie, alcoholische toevallen, delirium tremens, manische depressiviteit, zonnesteek, syfilis, de ziekte van Ménière en vergiftiging door lood-, kwik-, of chroomzouten uit verven. Arnold voegt daar de diagnose acute intermitterende porfyrie aan toe, veegt alle romantiek van tafel, en onderbouwt zijn hypothese met een heel boek.

Thuja

Arnold raakte als vijfjarig Australisch jongetje geboeid door Van Gogh toen hij in een klaslokaal een reproduktie zag. In 1987, inmiddels biochemicus en in de Verenigde Staten hoogleraar aan de universiteit van Kansas, bezocht hij het graf van Van Gogh en het huis van Gachet die beroemd en rijk is geworden als verzamelaar van impressionisten.

In de tuin van Gachet staat de thuja- of levensboom die op het eerste graf van Vincent groeide. Na de herbegrafenis van Vincent, op 15 juni 1905, is de boom naar de tuin van Gachet verplaatst. Daar legde Arnold de toen nog gewaagde link tussen thuja, Van Gogh en thujon, de giftige verbinding in absint. Na onderzoek bleek er chemisch gezien een duidelijk spoor te lopen via Van Goghs drink- en eetgewoonten, zijn medicatie, zijn medische klachten, via enkele rare gewoonten naar de ziekte acute intermitterende porfyrie.

In Arles was Vincent aan de absint, een likeur uit alsem, anijs, venkel, hysop, citroenmelisse en vaak nog meer aromatische planten. Absint bevat ongeveer 3% etherische oliën. Etherische oliën geuren en smaken dikwijls sterk. Er zijn er honderden. De meesten hebben met elkaar gemeen dat ze zijn opgebouwd uit twee, drie of meer eenheden isopreen. Isopreen is 2-methyl-1,3-butadieen, een rijtje van vier koolstofatomen met twee reactieve dubbele bindingen met nog een methylgroep als aanhangsel. Dennegeur (pineen) en kamfer zijn op een speciale manier opgebouwd uit drie moleculen isopreen. Sinaasappelgeur (limoneen) en geraniumgeur (geranial) bestaan uit twee eenheden isopreen.

De tegenwoordige anijs- en venkellikeuren Pernod en Ricard zijn de maatschappelijk geaccepteerde versies van absint. Ze bevatten tamelijk onschadelijke etherische oliën, maar de oorspronkelijk als opwekkend verkochte brouwsels van met alsemsoorten (Artemisia absinthium als belangrijkste) zorgden eind vorige eeuw al voor zoveel problemen dat ze in maart 1915 in Frankrijk werden verboden. Doorslaggevend was een rapport waarin stond dat "mentale ontsporing' onder absintdrinkers 250 maal zo veel voor kwam als onder bierdrinkers, bij dezelfde hoeveelheid ingenomen alcohol. Voor wijn was de abnormaliteitscoëfficiënt 4 en voor cider 32.

De belangrijkste acute bijwerking van absintgebruik is een door chemicaliën opgewekte epileptische aanval. De veroorzaker daarvan is waarschijnlijk thujon, het hoofdbestanddeel van de etherische olie in de alsemsoorten die in absint werden gebruikt. Thujon mag volgens Europese richtlijnen nog als smaak- en geurstof worden gebruikt tot een concentratie van 10 ppm. In absint is de concentratie makkelijk 260 ppm. Gebruik van meerdere glazen zou een epileptische aanval kunnen opwekken, vooral als de gebruiker rookt en slecht eet.

Thujon lijkt op kamfer. Beiden veroorzaken epileptische aanvallen en werden tussen beide wereldoorlogen gebruikt om op chemische wijze toevallen op te wekken, met hetzelfde therapeutische doel waarvoor nu met elektroshocks toevallen worden veroorzaakt. Thujon en kamfer hebben een broertje pineen. Pineen komt voor in terpentijn, waarmee olieverven worden verdund. Van Gogh had iets met die drie terpenen: hij dronk veel absint, gebruikte overvloedig kamfer als huismiddeltje tegen slapeloosheid en andere kwaaltjes, snoepte van zijn verf en probeerde soms terpentijn te drinken.

Dat Van Goghs aanvallen door thujon werden opgewekt, wordt heel waarschijnlijk als hij aan acute intermitterende porfyrie leed. Porfyrie is de ziekte waarbij een achtstaps biosynthese van glycine naar heem (het zuurstofbindende molecuul in rode bloedcellen) gestoord is doordat een van de acht betrokken enzymen door een afwijking in de coderende genen niet goed werkt. De editie 1992 van Cecil Text Book of Medicine vermeldt zeven porfyrieën.

De ziekte AIP geeft ernstige buikpijn en verstopping, pijn in ledematen en rug, misselijkheid en overgeven en hartritmeproblemen. In de helft van de gevallen ontstaan psychiatrische problemen: hysterie, functionele psychose, depressie, rusteloosheid, gestoord gedrag en labiele emoties. Bekende aanstichters van AIP zijn alcoholgebruik, sterodhormonen, ondervoeding en vasten en een aantal geneesmiddelen waaronder barbituraten, angstonderdrukkers en nog enkele andere middelen die in de psychiatrie worden gebruikt. Arnold heeft in eigen onderzoek vastgesteld dat ook de terpenen thujon, pineen en kamfer een AIP-aanval kunnen bespoedigen.

Niet bekend

Ook zijn broer

Niet alleen Vincent zou volgens Arnold aan deze dominant overerfende ziekte hebben geleden, maar ook zijn broer Theo die ruim een jaar later overleed in het Geneeskundig gesticht voor Krankzinnigen in Utrecht. Vincents zus Wil (1862-1941) sleet de helft van haar leven (vanaf 1902) in de psychiatrische inrichting Veldwijk in Ermelo. Wellicht, vindt Arnold, heeft ook zij aan een nooit onderkende porfyrie geleden. Zelfs de vermoede zelfmoord van Vincents jongste broer Cor, in 1900 33 jaar oud en strijdend aan Boerenzijde tegen de Engelsen in Zuid-Afrika, zou een gevolg van een porfyrie-aanval kunnen zijn. Porfyrie ontstaat gewoonlijk pas tussen het twintigste en dertigste levensjaar.

Arnold redeneert Vincent van Gogh en zijn familieleden vaardig tot AIP- patiënt en hij geeft in zijn boek een prachtig voorbeeld van een erfelijke ziekte die bij sommigen wel en bij anderen niet tot uiting komt - afhankelijk van de omstandigheden. Arnold volgt hiermee de moderne theorie waarin aanleg en milieu niet apart bepalend zijn, maar in onderlinge wisselwerking. In St. Rémy kreeg Vincent zijn aanvallen soms kort nadat hij bij zijn overgebleven kennissen in Arles op bezoek was geweest. Daar dronk hij weer, rookte veel en at slecht.

Had Vincent een regelmatig leven geleid, goed gegeten (zoals zijn dokters hem toen al aanraadden), niet te veel gedronken en niet te veel gerookt, dan zou hij misschien nooit last hebben gehad van zijn porfyrie. Porfyrie is volgens Arnold te genezen door een aangepast dieet en een regelmatige levenswijze. De leerboeken geven Arnold steun, maar met een slag om de arm.

Maar zou een regelmatig levende van Gogh een eigen museum in Amsterdam hebben gekregen? Van zulke vragen houdt Arnold - chemicus van Australische nuchterheid - niet. Van dieptepsychologie en ingewikkelde drijfveren moet hij niets hebben. Alle psychoanalytische verklaringen voor Vincents oor-afsnijden en zelfmoord veegt hij van tafel.

Vincent van Gogh, vindt Arnold, was gewoon een gedreven schilder die hard wilde werken. Arnold: ""geen van de medische crises van Vincent, het vreemde oorsnij-incident incluis, hebben een positief effect gehad op zijn creatieve potentie.''

Van Gogh had wel 66 kunnen worden, want de levensverwachting van een 37-jarige in Frankrijk in 1890 was nog 29 jaar, heeft Arnold nog opgezocht. Maar hij loopt met een grote boog om Van Goghs eigen drijfveren heen. Van Gogh schreef toen hij 30 was: ""Ik begon niet alleen relatief laat te tekenen, maar waarschijnlijk zal ik ook niet zo lang leven (...) mijn lichaam houdt het maar een beperkte tijd uit (...) misschien tussen zes en tien jaar bijvoorbeeld (...) op zo'n periode kan ik wel rekenen. (...) Als men zichzelf in die periode te veel uitput haalt men de 40 niet (...) Ik vind het niet erg om lang of kort te leven. Ik wil me niet sparen en emoties en moeilijkheden uit niet uit de weg gaan. Ik heb nu 30 jaar op deze aarde rondgelopen en wil wat nalaten uit dankbaarheid.''

Wilfred N. Arnold. Vincent van Gogh. Chemicals, Crises, and Creativity. Birkhäuser Boston, 1992, ISBN 0 8176 3616 1.