CPB moet klare wijn schenken over gevolgen bezuinigingen

Leidt een "tandje minder bezuinigen' volgend jaar nou wel of niet tot een lagere werkloosheid? Over die vraag is de afgelopen week een hoop politieke verwarring ontstaan, in de hand gewerkt door een uitgelekte concept-publikatie van het Centraal Planbureau. Minister Kok wil het financieringstekort iets minder verlagen dan in het regeerakkoord is afgesproken om de groei van de werkloosheid te beperken. Tegenstanders van dit voorstel beroepen zich op een conclusie van het CPB dat fors bezuinigen mogelijk is zonder gevolgen voor de werkgelegenheid.

Toch heeft datzelfde Centraal Planbureau de afgelopen vijftien jaar vele malen becijferingen gemaakt waaruit onomstotelijk blijkt dat bezuinigen op de collectieve uitgaven met het doel het financieringstekort te verlagen altijd op korte en middellange termijn - denk aan ten minste vijf jaar - leidt tot een stijging van de werkloosheid. Immers, als de overheid minder uitgeeft lopen de totale bestedingen in het land terug. Het duidelijkst is dat te illustreren aan de hand van bezuinigingen op inkomensoverdrachten (uitkeringen, ambtenarensalarissen en subsidies). Door verlaging van uitkeringen, salarissen en subsidies kunnen grote groepen in de samenleving minder uitgeven. De consumptie daalt. Die dalende consumptie leidt tot een lagere produktie bij de bedrijven, wat negatieve gevolgen heeft voor de investeringen en de werkgelegenheid.

Pas op lange termijn zal de verlaging van het financieringstekort, waarom alles is begonnen, dusdanig gunstig uitwerken op de economie dat de negatieve gevolgen van het bezuinigen erdoor worden opgeheven.

Deze uiteenlopende economische en financiële gevolgen plaatsen politici voortdurend voor een economisch dilemma. Dat is zwaarder wanneer, zoals nu, sprake is van een tegenvallende economische ontwikkeling. De mogelijkheid om via bezuinigingen een neerwaartse conjuncturele spiraal te versterken moet worden afgewogen tegen de eventuele gunstige macro-economische en financiële gevolgen van bezuinigen op lange termijn. Minister Kok en premier Lubbers kiezen op dit moment voor de korte en middellange termijn. Ze willen ten behoeve van de werkgelegenheid het financieringstekort in 1994 niet verlagen naar het niveau dat in het regeerakkoord is overeengekomen, maar de iets hogere norm aanhouden van de EMU, de Economische en Monetaire Unie. Dat scheelt ten minste 1,5 à 2 miljard bezuinigingen.

Hebben de critici van Kok en Lubbers gelijk? Neemt het CPB in het concept Centraal Economisch Plan afstand van zijn vroegere conclusies dat bezuinigen op korte en middellange termijn slecht is voor de werkgelegenheid? Het antwoord is nee. De critici bedienen zich van een uit zijn verband gerukt oordeel van het CPB. Het planbureau werkt wel zelf de grote verwarring in de hand. Het doet dat door complete beleidspakketten te presenteren, waarbij niet te zien is wat de gevolgen zijn van de verschillende onderdelen van die pakketten.

Die beleidspakketten komen op het volgende neer: Er wordt meer bezuinigd dan Kok en Lubbers tot nu toe voor ogen hebben. Echter een deel van de opbrengst van de bezuinigingen wordt niet besteed aan verlaging van het financieringstekort maar aan een belastingverlaging. Dat kan bijvoorbeeld zijn een verlaging van de eerste schijf in de loon- en inkomstenbelasting of een verhoging van het arbeidskostenforfait voor werkenden. Een belastingverlaging is op korte en middellange termijn altijd goed voor de werkgelegenheid. Zelfs zo goed dat in dit geval de negatieve gevolgen van het bezuinigingsbeleid op de werkgelegenheid, op korte termijn vrijwel wegvallen. Op middellange termijn is er zelfs een duidelijk positief effect op de werkgelegenheid.

Een belastingverlaging is dus de cruciale grondslag van het oordeel van het CPB dat meer bezuinigen dan Kok en Lubbers wenselijk achten geen negatieve effecten heeft op de werkgelegenheid. Wat doen nu de critici van Koks "tandje minder', zoals ook dinsdag tijdens een debatje in de Tweede Kamer weer bleek? Ze laten voor het gemak deze belastingverlaging weg, spreken al helemaal niet over de grote inkomensgevolgen die de voorgestelde bezuinigingen hebben en roepen: zie je wel, er kan dus zonder pijn heel veel bezuinigd worden!

Dat op deze manier met gegevens van het Centraal Planbureau kan worden omgegaan betekent dat het CPB tekort schiet in zijn taak om ten behoeve van de beleidsvoorbereiding heldere informatie te geven. Het CPB kan wel complete beleidspakketten bedenken, maar de waarde daarvan in de politieke besluitvorming is betrekkelijk. De politici die over het beleid moeten beslissen zijn er meer mee gediend als het CPB de uitkomsten van maatregelen die een rol spelen in de huidige discussie gescheiden in kaart zou brengen. Een beleidsmaker moet kunnen zien wat de afzonderlijke financiële en economische gevolgen zijn van x of y bezuinigingen ten behoeve van een verlaging van het financieringstekort, wat de afzonderlijke effecten zijn wanneer een deel van de bezuinigingen niet wordt besteed aan verlaging van het tekort maar aan een verlaging van belastingen of aan extra overheidsinvesteringen. Dan zijn verantwoorde en controleerbare politieke afwegingen mogelijk. Dan zou ook kunnen blijken dat veel van de tegenstellingen die nu in de media en de politiek worden gecreëerd uiteindelijk schijntegenstellingen zijn.

In de discussie binnen het kabinet speelt op dit moment nog een scala van economische maatregelen een rol. Het tandje minder is nog steeds een optie. Maar ook belastingverlaging wordt door Kok niet uitgesloten. Duidelijk is dat het kabinet wil kiezen voor meer werk. De vraag is welke prijs daarvoor kan worden betaald. In de beleidsvarianten van het CPB wordt voor het behoud van de werkgelegenheid en dus voor de financiering van de belastingverlaging een hoge rekening gepresenteerd aan vooral uitkeringstrekkers en mensen met lage inkomens, groepen die zelf niet of nauwelijks van de voorgestelde belastingverlagingen zullen profiteren.

CPB-directeur Zalm meent dat om die reden de afweging omtrent de bezuinigingsomvang minder een economisch en meer een sociaalpolitiek en bestuurlijk karakter heeft. Dat is een merkwaardige opvatting. Het CPB heeft het voordeel dat het met een grote vrijblijvendheid economische varianten kan presenteren. Maar dat maakt andere varianten en andere afwegingen niet per definitie niet-economisch. Is een evenwichtig inkomensbeleid niet een van de vijf hoofddoelstellingen van de Nederlandse economische politiek?