Voor Chytilova geldt: Mijn Pragenaars begrijpen mij

Retrospectief op het werk van Vera Chytilova. In: Amsterdam, Kriterion, 18 t/m 24 maart. Daarna in verschillende filmhuizen.

De films van de belangrijkste - en lange tijd de enige - Tsjechische regisseuse Vera Chytilova (1929) zijn op twee uitzonderingen na in Nederland niet erg bekend. Huub Bals haalde in 1968 met groot succes Chytilova's nog steeds beroemde film Madeliefjes (Sedmikrasky, 1966) naar de Cinemanifestatie in Utrecht. Tien jaar later vertoonde hetzelfde festival de film Spel met de appel (Hra o jablko, 1976), waarmee Chytilova na een noodgedwongen creatieve stilte van zeven jaar onder het Husak-régime een bescheiden come-back maakte; de speelse en ironische ziekenhuiskomedie, met een hoofdrol van collega-regisseur Jiri Menzel, bleef vervolgens op de plank liggen van de Nederlandse distributeur.

Dankzij het initiatief van Ludmilla Polman-Cvikova, een Tsjechische medewerkster van het Kriteriontheater, zijn nu alle speelfilms van Chytilova in een week in Amsterdam te bekijken. Helaas bevatte de persvoorstelling naast het in zijn subversieve en absurde anarchie nog steeds overtuigende Madeliefjes slechts een ander staaltje van Chytilova's kunnen. De hofnar en de koningin (Sasek a kralovna, 1987) belooft weinig goeds over de continuïteit in haar werk. De allegorische vertelling, die dezelfde acteurs in twee verschillende tijdperken of beter: op twee niveaus van realiteit tegenover elkaar stelt herhaalt zichzelf voortdurend en maakt een stroeve, houterige indruk. Een dorpsidioot fantaseert naar aanleiding van de komst van de vorstelijke Franse echtgenote van een Westduitse industrieel, die in de buurt pleegt te jagen, een sprookje, waarin zij de koningin en hij de nar speelt. De verwijzingen naar de op dat moment nog weinig rooskleurige sociale en politieke situatie zijn zo impliciet, dat er voor een niet-Tsjechische kijker weinig aan te beleven valt. Misschien gaat voor Chytilova's boodschap wel de titel op van een van haar andere recente films: Mijn Pragenaars begrijpen mij (Mi Prazane mi rozumeji, 1991).

De explosie van talent in de Tsjechische "nouvelle vague' (1963-68) mag dan veel ingrijpender vormen aangenomen hebben dan die in andere Oosteuropese landen, de effectieve repressie van de jaren zeventig en tachtig (zonder officiële censuur, overigens) leidde ertoe dat sinds die tijd de Tsjechoslowaken een niet meer te overbruggen achterstand op bij voorbeeld de Hongaarse, de Poolse, maar ook de Joegoslavische en de Oostduitse filmcultuur opliepen. Ook de huidige economische malaise verhindert dat er sinds de dagen van Madeliefjes nog voor een internationaal publiek interessante films uit Praag of Bratislava te voorschijn gekomen zijn.

Wel wordt keer op keer de vitaliteit van de voorbije Tsjechische filmlente herontdekt. Het moet aannemelijk geacht worden dat ook Chytilova's, bij ons zo goed als onbekende vroegste films aan die filmhistorische verkenning een verfrissende bijdrage kunnen leveren. Na haar studie architectuur en filosofie kwam Chytilova via een bijbaantje als mannequin in contact met de filmwereld. Ze werkte als scriptgirl en assistent-regisseur en studeerde in 1962 af aan de FAMU-filmschool met een middellange eindexamenfilm, Het plafond (Strop). De hoofdpersoon van die film is een studente medicijnen, die fotomodel wordt en haar nieuwe, teleurstellend oppervlakkige bestaan inhoud tracht te geven. De volgende, eveneens middellange film Een zak vlooien (Pytel blech, 1962), en de eerste lange speelfilm Over iets anders (O necem jinem, 1963) hadden beide een semi-documentair karakter. Ze bezorgden Chytilova enige faam, niet alleen als toen nog zeldzaam realistisch observator van vrouwenlevens, maar ook als discipel van twee op dat moment zeer invloedrijke stromingen: de cinéma vérité en de Franse nouvelle vague. De vergelijking met Agnès Varda lag voor de hand, niet alleen omdat dat ook een vrouw was, maar omdat beiden op onorthodoxe wijze werkelijkheid en gezagsondermijnende verbeelding wisten te verwerken tot een frisse eigen stijl.

Het is jammer dat het Chytilova-retrospectief geen plaats biedt aan haar recente documentaires, De tijd is onverbiddelijk (Cas je neuprosny, 1978) - over oudere vrouwen - en het stadsportret Praag, het rusteloze hart van Europa (Praha - neklidne srdce Evropy, 1984), want die films beschikken onder haar latere werk over de beste reputatie. Gevreesd moet worden dat Chytilova, net als de eveneens in Tsjechoslowakije achtergebleven Menzel, het zwarte gat tussen 1968 en 1989 in artistiek opzicht minder goed overleefd heeft dan uitgeweken collega's als Milos Forman en Ivan Passer, hoe vaak die ook in het corrupte westen uitverkoop onder hun principes hebben moeten houden.