Tjiftjaf

In Engeland heten ze chiffchaff, in Ierland tiuf-teaf, in Duitsland zilpzalp, in Hongarije csilp-csalp en zelfs in Servië, als ze even willen luisteren, zvizdak.

Wij zeggen tjiftjaf en dat zeggen ze zelf ook. Eentonig vogeltje met een doodeenvoudig zangetje. Ik ben er ook, verkondigt het in alle talen, willen jullie daar alsjeblieft rekening mee houden!

In die schitterende explosie die wij lente noemen, verzorgt dit vogeltje zijn eigen moment. Meestal in het Vijverbos, dat door de winter als een lege huls is achtergelaten.

Tjiftjaf, roept hij je toe en je weet meteen waar hij zit: op een mijlpaaltje.

De tjiftjaf is terug. Zodra je de eerste hebt gehoord, hoor je de tweede. Binnen een week hoor je ze doorlopend. Ze zingen steeds en overal, en zo blijft het tot diep in de zomer.

Dan weer herfst met het genot van storm.

Dan weer winter met het verlangen naar sneeuw.

En dan de tjiftjaf weer.

Het is niet dat het ene seizoen beter zou zijn dan het andere. Het is de cirkelgang, herhaling. Het is de suggestie van jaren die niet verstrijken maar terugkeren. Een zweem van eeuwig leven, méér in elk geval dan alleen dit ene.

Geen dominee hoor, gewoon een tjiftjaf.