Petersen, voormalig conservator van het Stedelijk Museum, toont zijn foto's van de kunstwereld; Het scheelde veel dat ik precies wist wie wie was

Tentoonstelling: "a Curator's Camera' T/m 18 april in De Beyerd, Boschstraat 22, Breda. Di. t/m vr. 10-17 uur, za., zo. 13-17 uur. Boek: 'a Curator's Camera' Ad Petersen. Uitg. Kempen Group, Eindhoven-Airport (040-572400). ISBN 90-7427-391 Prijs: ƒ 49.90. Op 18 maart vindt om 20 uur in De Beyerd een gesprek plaats tussen Ad Petersen en kunstcriticus Melchior de Wolff. Toegang ƒ 7,50. Reserveringen: 076-225025.

“Vroeger gingen we na afloop van een opening met z'n allen gezellig bij de Chinees eten in de Binnen Bantammerstraat.” Ad Petersen, dertig jaar lang conservator van het Stedelijk Museum in Amsterdam, haalt herinneringen op. Daar is een aanleiding voor, want op zijn bureautafel ligt zijn net verschenen fotoboek "a Curator's Camera', opnamen die nu ook tentoongesteld worden in De Beyerd in Breda. Met ongeveer honderd zwart-wit foto's en een enkele in kleur geven boek en expositie een kijkje achter de schermen van de kunstwereld in de periode 1960/1990, de tijd dat Petersen aan het Stedelijk was verbonden.

Een bont gezelschap is in beeld gebracht. We zien een biljartende Ferdi Tajiri, een knutselende Tinguely, een gekke-bekkentrekkende Roland Topor met bolhoed en sigaar. John Cage zit met een enorme schelp op zijn schoot bij een microfoon. Jean Dubuffet vertoeft eenzaam en alleen in zijn "Jardin d'émail' in de tuin van het Kröller-Müller Museum. En in hun volgestouwde Berlijnse atelier portretteerde Petersen het echtpaar Kienholz. Op een met van alles en nog wat volgehangen muur springt het straatnaambord "Hoerengracht' in het oog. Op de foto's wordt veel gelachen, gerookt en gedronken. “In de jaren zestig en zeventig werd er niet zo gelet op de buitenkant”, vertelt Petersen. “Prestige, carrière of strategie; men was daar niet zo mee bezig.”

Het moment van een omslag in mentaliteit illustreert Petersen met een foto uit 1982 waarop een onberispelijk gekleed gezelschap in het Amstel Hotel zit te dineren na een opening. Alles draait om de Amerikaanse kunstenaar Julian Schnabel. “Die gigantische doeken van hem met die gebroken serviezen en geweien en fluwelen lappen, wel geinig hoor, het had wel wat, maar ik vond Schnabel een beginnend kunstenaar. Toch werd me daar een kabaal over gemaakt en een geld over de balk gesmeten...” Over het dubbelportret van de galeriehouders Mary Boone en Antony d'Offay, dat hij dezelfde dag maakte: “Het zijn net gangsters, vind je niet? Dat zei ik ook tegen Boone toen ik haar een afdruk gaf. Ze was niet eens beledigd. "But Ad', zei ze, "we are gangsters. Didn't you know?'

“Mijn voorsprong op beroepsfotografen was dat ik precies wist wie wie was. Bij openingen waren wel fotografen die de exposant herkenden en de directeur, maar een bijzondere ontmoeting merkten ze niet op. En onze fotografische dienst hield er om vijf uur mee op.”

Petersen wijst op een opname van Marcel Duchamp in een gesprek met schaker Jan-Hein Donner tijdens een opening van William Copley. “Ik was zo onder de indruk van Duchamp, ik durfde niets tegen hem te zeggen. Die foto heb ik snel afgedrukt om hem persoonlijk te kunnen bezorgen in zijn hotel. We hebben daar een tijd lang zitten praten over de smaak en kwaliteit van melk. Duchamp was zeer te spreken over de Nederlandse melk.”

In zijn begintijd in het Stedelijk met Sandberg - op wiens verzoek Petersen uit Groningen naar Amsterdam kwam - maakten ze met een kleine groep mensen "op een slof en een oude schoen' vol enthousiasme dertig tentoonstellingen per jaar. Ze deden alles zelf.

Oud Stedelijk Museum-directeur Willem Sandberg komt in "a Curator's Camera' vijf keer voor. Zijn opvolger Edy de Wilde figureert slechts twee keer op de foto, zoals bij het diner met Schnabel. De onlangs vertrokken directeur Wim Beeren is op geen enkele foto afgebeeld.

“De laatste jaren vind ik de tentoonstellingen vaak veel te groot. Laatst Kounellis en nu Kabakov, die waren beter uitgekomen met de helft van het aantal zalen. Kunst is erg fashionable geworden. Het "vermediatiseren' van de kunst, dat kunstenaars sterren worden, daar kan ik absoluut niet tegen. Voor Leibowitz staan ze in rijen voor de deur. Het publiek wil de sterren zien die ze van de tv kennen. Top-kunstenaars met assistenten die op hun beurt ook weer assistenten hebben, ik moet er niets van hebben.”

Een mooi tijdsbeeld geven de in Mary Quant mantelpakjes gestoken dames die de brede museumtrap afdalen. Ze bekijken het Engelse kunstenaarsduo Gilbert and George, dat daar als "living sculptures' keurig in een iets te krap bemeten pak gestoken en met hun gezichten en handen bronskleurig geschilderd, vijf uur lang een bewegingloze act uitvoerde. “Iemand schoof een briefje onder een van hun schoenen: "I like your art. But why are you doing this?' ” Voor de zoveelste keer schiet Petersen in een korte lach.

Toch heeft geen enkele periode zijn duidelijke voorkeur. “Goede kunst komt in alle tijden voor en als je ouder wordt zie je wel dat alles zich steeds weer herhaald. Het is de kunst om je ogen open te houden voor de nieuwe kanten aan hetzelfde verhaal.”