Kan een blanke hork goed basketballen?

White Men Can't Jump. Regie: Ron Shelton. Met: Wesley Snipes, Woody Harrelson, Rosie Perez. Uitgebracht op huurvideo door Fox Video.

Vaak valt het te begrijpen dat een film het bioscoopdoek niet haalt en direct wordt doorgesluisd naar de schappen van de videotheek. Maar waarom White Men Can't Jump dat lot moest treffen is me onduidelijk. De film, die in de Verenigde Staten met nogal wat succes is vertoond, heeft veel mee dat juist in de bioscoop tot zijn recht zou komen: prachtig, soms loom dan weer wild camerawerk (van Russell Boyd), een meeslepende, ogenschijnlijk losjesweg uitgeoefende regie, twee in alle opzichten tegen hun rol opgewassen acteurs in de hoofdrollen (Wesley Snipes en Woody Harrelson), en hilarische, door geslaagde body language ondersteunde, dialogen waarin niet wordt geaarzeld grof, aanstekelijk maar nooit prekerig te spotten met raciale vooroordelen.

Bovendien is White Men Can't Jump een goede film over sport. Toegegeven, het betreft hier geen voetbal, maar het in Nederland veel minder populaire basketbal. Wellicht kwam de film daarom niet in aanmerking voor bioscoopdistributie, al vraag je je af waarom we dan wel werden opgescheept met de duffe ijshockey-film Champions. Basketbal is voor iedereen opwindend om te bekijken. Anders dan voetbal of menig andere teamsport vereist het nauwelijks kennis van zaken om ervan te kunnen genieten. Het verloopt snel, spectaculair, met gratie en flair. Het biedt letterlijk constant wisselende kansen, massa's mogelijkheden om te scoren en het wordt per definitie uitgevoerd door lange, lenige, filmgenieke spelers die we van moment tot moment vindingrijk en tactisch zien zijn.

Sportfilms gaan doorgaans over winnen, liefst in een David & Goliath-constructie. Over sport gaan ze hooguit zijdelings, en meestal niet. White Men Can't Jump wel. Regisseur Ron Shelton weet waar hij het over heeft. Een aantal jaren geleden was hij nog actief in een net niet professioneel baseball-team, een periode die hij verwerkte in Bull Durham, zijn eerste, wel in Nederland uitgebrachte, film. Met zijn tweede vertelt hij - tegen een minder geslaagde, verwarde achtergrond van verstoorde liefdesrelaties die we hem maar moeten vergeven - over de verslaving aan sportbeoefening. Over sport als bron van fantasie en levenslust, over het sportveld als magneet, als substituut voor de huiselijke kring, als vrijplaats, als podium. Zo is Sidney getrouwd en vader van een peuter, maar bevindt hij zich op het basketbal-pleintje aan Venice Beach in Los Angeles, dan is hij echt thuis. Niet alleen heeft hij daar de gelegenheid om te schitteren als sportman, hij kan er ook zijn verbale en geestelijke overwicht uitoefenen door tegenspelers in een ritueel van opscheppen en uitschelden zo creatief te beledigen, dat ze of woedend weglopen of te veel de slappe lach krijgen om hem de dreun te verkopen waar hij om vraagt. Wesley Snipes, bekend van New Jack City en de films van Spike Lee, speelt Sidney subliem: zijn charme, zijn humor, zijn gepats en ook zijn adembenemende basketbal-trucs.

Sidney, zo horen we later in de film, verdient veel geld met basketball: hij lokt onder basketbal-ringen elders in de stad hoge weddenschappen uit met welbespraakt, schijnbaar ongecoördineerd wangedrag, om vervolgens koeltjes te winnen. De film is nog maar nauwelijks begonnen of we zien hem een koekje van eigen deeg eten. Er meldt zich een blanke, voddig geklede hork. Sidney is op eigen terrein en bovendien, "this here is a black thing' en "white men can't jump', dat weet iedereen: die blanke jongen is kansloos. Voor hij het weet heeft hij al het spaargeld van zijn vrouw en nog wel wat meer verloren aan deze Billy (ook al zo stevig-amusant gespeeld door de uit Cheers bekende Woody Harrelson) die een onverwacht solide basketbal-techniek ten toon spreidt. Sidney is razend maar slikt de vernedering al snel in, want hij ziet grootse mogelijkheden. Zijn gladde tong, Billy's blanke huid en hun beider beheersing van het basketbal, dat is samen goed voor doeltreffende oplichterij op elk speelveldje in welke zwarte buurt dan ook. Hij heeft gelijk, dat krijgen we te zien in een aantal verrukkelijke, niet gemakzuchtig komiek maar juist achteloos geregisseerde, scènes, waarin Shelton steeds benadrukt dat deze jongens voor alles graag spelen en het gokken en de flessentrekkerij ondergaan als extra spanning die het spel alleen maar mooier maakt.

White Men Can't Jump is waardevol door de manier waarop het tweetal elkaar de oren wast met harde oordelen over wederzijds raciaal superioriteitsvertoon. Stroefweg beïnvloeden ze elkaar. Zo sneert Billy dat terwijl blanken spelen om te winnen, zwarten er in de eerste plaats goed uit willen zien. Maar dankzij Sidney zal hij ontdekken hoe rijk het voelt om te winnen in schoonheid.