Het Gezonde Leven (3)

Wie de Ziekte van Parkinson niet wil krijgen, doet er goed aan zwaar te roken. Over het hoe en waarom van dit verrassende verband is nog weinig bekend, maar uit onderzoek blijkt dat stevige rokers minder kans hebben om die langdurige en ingrijpende ziekte te krijgen. Het zijn dus niet alleen de tabaksindustrie en de ophaler der indirecte belastingen die er baat bij hebben als wij er nog eentje opsteken.

Wat doe je met zo'n mededeling? Als burger en als staat. Gezondheid wordt ieder jaar verwarrender. Naarmate medisch meer bekend en mogelijk wordt, moet steeds vaker worden bedacht of het ook allemaal moet, of er directe consequenties aan moeten worden verbonden. En wie dat betalen zal.

Het geldt bij grootschalig bevolkingsonderzoek. En bij dure operaties die het leven kunnen verlengen of verbeteren. Steeds gekoppeld aan de vraag: wie komt in aanmerking voor nieuwe mogelijkheden, en is de leeftijd een toelaatbare factor bij beslissingen over vereist rendement van dure nieuwigheden?

Bij dit Parkinson-bericht uit rookland valt het nog wel mee. Niemand zal er de conclusie aan verbinden dat Postbus 51 alleen daarom op grote schaal jong, lang en veel roken moet aanmoedigen. Maar als de gezonde effecten van roken, naast de bekende kansen op kanker en hartziekten, groter bleken te zijn, dan werd het lastig.

Dan gingen er stemmen op om voor- en nadelen naast elkaar te etaleren in de overheidsvoorlichting. Zoals nu al op ieder pakje en in iedere bisocoopreclame de boodschap zou moeten staan: "Roken is schadelijk voor de gezondheid en bezorgt niet-rokers veel hinder en kans op een vervroegde dood, maar tabak is een belangrijk (export)produkt dat duizenden banen en miljarden aan belastinginkomsten oplevert'.

Het rendement van opvoedend bedoelde boodschappen is zelden overtuigend aangetoond. Het is in de eerste plaats een beleidsreflex, het bevredigen van de publieke behoefte een daad te stellen, een rooksignaal van zorg en goede wil te geven. Dat die zelfde overheid de tabaksindustrie geen strobreed in de weg legt, laten de opstellers van die anti-rookcampagnes noodgedwongen buiten beschouwing. Ander ministerie, ander deel van het geweten.

Is deze gespletenheid onvermijdelijk en eeuwigdurend? Is de overheid in een redelijk beschaafd en redelijk democratisch land gedoemd zich te gedragen als de eerste de beste hypocriet? Zijn wij per saldo zo cynisch? Of zou het bij een radicaal positieve trek van dit volk kunnen horen om, het slagveld overziend, te zeggen: dit is te gek, laten we in actie komen en doen waarvan we in ons hart weten dat het goed is. We geven ook al jaren een stevig percentage ontwikkelingshulp, ondanks alle scepsis bij landen om ons heen. Wij doen dat omdat wij dat goed en nodig vinden.

En àls een meerderheid in de Tweede Kamer zich over de financiële en industriële aarzelingen zou heenzetten, en zeggen: "goed, het moet uit zijn met deze waanzin, laat iedereen in zijn eigen huis roken maar nergens in het openbaar, op het werk of waar niet-rokers onvrijwillig volgepaft worden, en laten we de industrie verbieden het spul te pluggen', wat zou dat dan opleveren?

Zou een straf pakket verbods- en gebodsmaatregelen werken? Dat is de vraag die beantwoord moet worden. Het beste document dat ik hierover ben tegengekomen is een Amerikaanse studie uit 1991, geschreven door Robert A. Kagan en Jerome H. Skolnick. De titel "Compliance without enforcement' geeft aan waar de primaire verbazing van de onderzoekers naar uitging: hoe is het in Amerika gelukt rookoverlast-beperkende maatregelen te laten naleven zonder handhavingsbeleid.

In de Verenigde Staten zijn de laatste jaren in steeds meer staten en gemeentes maatregelen getroffen die roken in publieke gebouwen en bij particuliere bedrijven aan banden leggen, vaak door speciale rookruimtes aan te wijzen. Hoe is dat in de praktijk gegaan en wat hebben overheden gedaan om te zorgen dat de regels worden nageleefd? En als de naleving aardig lukt, waarom bij roken dan wel, terwijl de Amerikaan de wetten ter beperking of uitbanning van graffiti, marihuana, cocaïne, handwapens en alcohol (in de jaren twintig) zo massaal aan de laars lapt?

Kagan, Skolnick en hun medewerkers hebben in een groot aantal gesprekken, mondeling in Californië en telefonisch door de rest van het land antwoorden gezocht bij politiemensen, bedrijfsleiders en bezoekers van winkelcentra, baseballstadions tot en met hamburgeretablissementen, en schoolkinderen in raciaal zeer gemengde binnenstadswijken. Om een voorbeeld van lastige klanten in de volwassen beroepsbevolking te verkennen, gingen zij na hoe het rookleven zich had ontwikkeld op krantenredacties in steden met een sterke anti-rookregelgeving.

Het blijkt dat het gezicht van Amerika de laatste jaren radicaal is veranderd. Zonder veel ruzies en politie-ingrijpen is de norm omgeslagen van roken-is-gewoon naar roken-is-ongezond-en-asociaal. Vliegtuigmaatschappijen hebben zonder veel problemen een compleet rookverbod op alle binnenlandse vluchten kunnen afkondigen.

Verklaringen bleken moeilijk te geven. Vergeleken bij belastingontduiking en veel andere ongewenste activiteiten, is het voordeel bij roken dat het voor iedereen zichtbaar is. Bovendien is er volgens de onderzoekers geen subcultuur die roken aan een sportief of anderszins begeerd imago helpt. Maar dat geldt allemaal ook in Europese landen waar openbaar roken nog steeds groeit en getolereerd wordt.

Kagan en Skolnick schrijven: “In de hele VS, op universiteiten, in bedrijven, in restaurants, is een dramatische verandering opgetreden in de sociale aanvaardbaarheid van roken. Rokers voelen zich veroordeeld, geïsoleerd, van hun rechten beroofd en vervreemd.” De auteurs concluderen dat het essentiële verschil tussen de VS en andere landen is dat de regels van wellevendheid ten aanzien van het roken in Amerika radicaal zijn gewijzigd.

Het toch nog verrassende van hun verdere onderzoek is dat er uit blijkt dat de rol van gezondheidsvoorlichting bij deze transformatie van beleefd gedrag maar een heel beperkte is. Dat betekent tegelijkertijd dat "we' maar weinig kunnen doen.

Hoe ingrijpend de verandering is, wordt gesymboliseerd door het gedrag van helden op de televisie: F.D. Roosevelt bedachtzaam met een sigarettepijpje, Humphrey Bogart die rook in het gezicht van de slechterik blaast, het komt niet meer voor. President noch filmster verschijnt rokend in beeld. In Amerika is niet-roken gewoon geworden. Roken is afwijkend gedrag.