Droste-effect

Fragmenten uit een boekenweekdagboek

Verzorgen jullie het programma maar voor me, had ik tegen de uitgeverij gezegd. Nu, dat heb ik geweten ook. Er was geen gaatje meer open. Negen interviews in vier dagen, méér kan een mens toch haast niet worden aangedaan, zelfs niet een schrijvend mens. Vier dagen glimlachen, achjee.

donderdag

“Dat is wel een herenstoel”, zei ik, toen ik de grote zetel zag die de fotograaf van de Volkskrant in de sociëteit Arti voor me had aangesleept. “Ja, dat leek me echt iets voor u”, klonk het innemend ten antwoord.

Ai, een horzel die steekt! Hoeveel jaren deed ik niet mijn best om géén heer te zijn? Vanmorgen nog had ik me mijn meest veerkrachtige egotred aangemeten. Het leven is een estafetteloop van desillusies.

vrijdag

Twee wenken voor wie geïnterviewd gaat worden.

- Als ze u vragen een serieus antwoord te geven, laat dat. Het komt er toch niet in.

- Als ze u vragen om namen te noemen, laat dat ook. Ze komen er altijd in.

zaterdag

Aan de P.C. Hooftprijs is een extrabedrag van vijftigduizend gulden verbonden met de wat vage omschrijving dat het ten goede moet komen aan een uitgave die betrekking heeft op het oeuvre van de auteur, of zoiets.

Volgend jaar verschijnen al mijn gedichten bij elkaar (als ik "Verzamelde Gedichten' zou zeggen lijkt het of ik zelf de klep op mijn doodkist dichtsla). Het zijn nogal wat pagina's en zo'n uitgave ziet er altijd mooi uit. Het boek zou - poëzie is liefdewerk oud papier, en je verkoopt er drie of vier van - bij een normale calculatie een gulden of zestig kosten. In onze oneindige goedheid besluiten mijn uitgever en ik het bedrag van vijftigduizend gulden te gebruiken om het boek in de winkel een gulden of twintig, dertig (hou me niet aan het preciese bedrag) te laten kosten, zodat het rechtstreeks ten goede komt aan het jonge, en immers zo leesgrage publiek. Is dat niet fraai?

zondag

“Dat is de reden dat ik nooit jeugdpuistjes heb gehad”, zeg ik met gespeelde bescheidenheid, als er wéér een fotograaf met flitslicht bezig is. Ik herinner me dat eergisteren ook al gezegd te hebben. Zo zou je waarachtig nog iets van een egorepertoire beginnen te ontwikkelen. Het is niet zo - ik lul maar door, van de hak op de tak, voor me zelf op de vlucht. De hele nacht heb ik, in mijn slaap, doorgepraat. Straks ga ik wartaal uitslaan, of ben ik dat al aan het doen? Niet onmogelijk. Wie weet beheers ik intussen het Zoeloes. Nog een paar dagen en ik zal in een diep stilzwijgen vervallen. Dan zal ik ook zelf de staat prijzen waarin mijn vijanden me het liefst zouden zien: dat ik mijn mond hou.

maandag

Dorinde van Oort is bezig met een boek met schrijversportretten, en er moet ook een portret van mij in. O demon ijdelheid! Er lopen twee katten in haar atelier rond. Pienter en schuchter. De laatste van mijn zes katten is enkele maanden geleden doodgegaan, en sindsdien heb ik in een katloos universum geleefd. Heel even moet ik een ego-snik onderdrukken. Dieren weten zoveel meer dan mensen. Dieren weten dingen waarvan de mensen niet eens weten dat ze die weten.

vaarwel

Snel dus nog dit ego-documentje in de boekenweek van de ego-documenten. Ik krijg het woord ego niet meer uit mijn strot zonder in de lach te schieten. En nu weer gewoon aan het werk.