Draaien en lassen (7)

Twaalf hoog in Zoetermeer ging het mis, per faxpost lukte het niet, en in het souterrain van een Amersfoorts hotel wilde het gisteren "informeel' evenmin klikken. Maar het "oriënterend gesprek' dat werkgevers en vakbonden in de metaal- en elektrotechnische industrie voerden in de Keistad had wel het voordeel dat krekhelder werd waar de schoen precies wringt.

Na zes uur tekstueel kauwen en kluiven lagen twee voorstellen op tafel die het conflict haarscherp markeren. De bonden (vakverenigingen) - oorspronkelijk vertrekpunt: een verplichte, collectieve regeling voor de gehele bedrijfstak - wilden uiteindelijk volstaan met: "Partijen bevelen de werkgever dringend aan in overleg met de vakverenigingen voor de werknemers een voorziening te treffen tot aanvulling van de verlaagde WAO-uitkering'.

De werkgevers (verenigd in de FME) - oorspronkelijk vertrekpunt: een regeling die de keuze aan de individuele werknemer en de afzonderlijke werkgever laat - stelden te langen leste voor: "Partijen bevelen de werkgever dringend aan in overleg te treden met de vakverenigingen over het treffen van een voorziening tot aanvulling van de verlaagde WAO-uitkering'.

Op het eerste gezicht lijkt het een woordenspel, maar bij close-reading valt een wereld van verschil te ontwaren. De "dringende aanbeveling' van de bonden impliceert dat de werkgever in elk geval een regeling treft, en dat de bonden daarover meebeslissen (immers: in overleg met). De "dringende aanbeveling' van de FME houdt in dat de werkgever de bonden alleen consulteert (immers: in overleg treden) over een regeling en dat er maar één over beslist, en dat is hij zelf.

Eerste onderhandelaar Nico Broers van de Industriebond FNV zei na afloop dat met zijn variant de vakbondsconcessies zijn uitgeput. “Als we ons voorstel nog verder afzwakken dan zouden we onze geloofwaardigheid volstrekt verliezen.” Hij bestempelde het FME-voorstel als “een dictaat, dat we naar eer en geweten niet kunnen aanvaarden”. Uit de controverse blijkt volgens hem dat het in feite gaat over de taak en de rol die in bedrijven aan vakverenigingen worden toegekend. “De FME probeert die zo veel mogelijk in te perken.”.

FME-voorzitter J.L. van den Akker weersprak dit laatste, maar repte wel over “een belangrijk, principieel verschil van mening”. De opstelling van werkgevers is volgens hem verder ingegeven door “angst voor precedent-werking”. “Als wij met het bondsvoorstel zouden instemmen, zouden we verwachtingen wekken ten aanzien van de reparatie van toekomstige kabinetsbezuinigingen. En daarvan zitten er nog een heleboel aan te komen. Ook al beloven de bonden de WAO-reparatie te zullen betalen, dan krijgen wij dat via de band, in de vorm van een hogere looneis, vroeg of laat toch terug.”

Wat nu? Broers en Van den Akker moesten het antwoord schuldig blijven. De eerste hoopt dat stakingsacties de werkgevers alsnog tot inkeer brengen; de tweede speculeert erop dat de tijd in zijn voordeel zal werken.

Eerder, na het vastlopen van het "formele' overleg op 25 februari, zinspeelde Broers op het einde van de bedrijfstak-CAO voor de metalektro. Die ontwikkeling noemde hij “onvermijdelijk èn gewenst”, omdat de behoefte aan maatwerk per bedrijf in het arbeidsvoorwaardenpakket groeit. Maar, zo voegde hij daar gisteren aan toe, dat moet dan wel geleidelijk en beheerst gaan, en niet abrupt, zoals nu dreigt.

Zonder CAO staan de bonden, in ieder geval op korte termijn, met goeddeels legen handen. Ze kunnen wel proberen bedrijven van de FME-lijn los te weken, maar wie bedenkt dat het in totaal om ongeveer 1.000 bedrijven gaat, beseft dat het monnikenwerk betreft. Bovendien hebben de bonden enige haast omdat na de zomer de hun dierbare collectieve VUT-afspraken, die parallel lopen met de CAO, eindigen. Daar staat tegenover dat het uitblijven van een CAO ook de FME niet onberoerd laat. Haar positie brokkelt af en haar leden halen meer arbeidsconflicten in eigen huis. Deze dilemma's nopen, vroeg of laat, tot nader overleg. Formeel danwel informeel.