Ambtenaren zingend in staking voor de stadsvernieuwing

UTRECHT, 17 MAART. Burgemeester Opstelten van Utrecht ziet het al voor zich: spandoeken langs de snelwegen, een ”stadslied' dat bij de wedstrijden van FC Utrecht tijdens de rust wordt gezongen en een optocht naar Den Haag. Alles is nog denkbaar in het streven van de stad om meer geld voor stadsvernieuwing uit Den Haag te krijgen. Opstelten schetste zijn visioenen in een actiekrant die dezer dagen bij de gemeentelijke diensten is verspreid.

De Utrechtse burgemeester blijkt niet te bluffen. De stad begint vandaag een campagne voor meer geld voor stadsvernieuwing en dat gaat gepaard met een ”staatsrechtelijke stunt'. Het college van B en W heeft alle ambtenaren opgeroepen vanmiddag het werk neer te leggen en aanwezig te zijn bij de officiële start van de campagne. Ze worden geacht massaal het stadslied te zingen. Voor zover bekend is het niet eerder voorgekomen dat de ene overheid haar werknemers oproept tot een werkonderbreking om een conflict met een andere overheid uit te vechten. De mobilisatie van het ambtelijk apparaat is overigens nog maar een voorproefje van wat het gemeentebestuur met de bevolking van plan is.

Het Utrechtse offensief is gericht tegen de nieuwe verdeelsleutel die het kabinet tot 2005 wil gebruiken bij de toewijzing van gelden voor stadsvernieuwing. Zoals afgesproken zou er meer aandacht komen voor de vier grote steden. Maar toen het kabinet zijn voorstel in januari bekendmaakte, bleek dat niet voor Utrecht op te gaan. Terwijl Den Haag zijn aandeel zag stijgen van 8,6 naar 15 procent, een verdubbeling van 80 naar 160 miljoen gulden per jaar, zakte Utrecht van 4,1 naar 2,4 procent. De verlaging van het Utrechtse aandeel, van 43 miljoen naar 17 miljoen gulden per jaar, leidt ertoe dat de stad al in 1996 haar activiteiten voor stadsvernieuwing moet staken. Het gemeentebestuur voorziet ”desastreuze' gevolgen.

Extra wrang is dat de vernieuwingsgelden in het verleden vooral gebruikt zijn voor de verbetering van de wijken aan de oostkant van de stad. Daar zit alle hoogwaardige werkgelegenheid, zoals de universiteit, het academisch ziekenhuis en dienstverlenende bedrijven. De opknapbeurt heeft er toe bijgedragen dat wijken als Oudwijk en Wittevrouwen nu geliefde woonbuurten zijn en dat de huizenprijzen er relatief hoog zijn. Nu arbeidersbuurten aan de andere kant van het centrum, zoals Lombok, Pijlsweerd en Zuilen, voor renovatie in aanmerking komen, is het geld op.

Volgens het ministerie van VROM is de financiële verschuiving ten gunste van de stad Den Haag een uitvloeisel van de Kwalitatieve Woningregistratie. Daarbij zijn steekproefsgewijs 26.000 woningen onderzocht om een beeld te krijgen van de kwaliteit van de woningvoorraad. Uit dat onderzoek zou blijken dat Utrecht een aanzienlijk geringer aantal slechte huizen heeft dan een stad als Den Haag. Het gemeentebestuur houdt echter vol dat Utrecht niet 4000 maar 7000 slechte tot zeer slechte woningen telt.

Gisteren maakte de gemeente Utrecht bekend dat onafhankelijk onderzoek heeft uitgewezen dat VROM nogal vrijpostig is omgesprongen met het instrument van de Kwalitatieve Woningregistratie. De gemeente is onder meer te rade gegaan bij het Bouwcentrum in Rotterdam. Dit bureau is in opdracht van VROM betrokken geweest bij het ontwerpen van de Kwalitatieve Woningregistratie en de uitvoering ervan. Zo gauw het gemeentebestuur in de gaten kreeg dat de nieuwe aanpak nadelig zou uitpakken voor Utrecht, werd hetzelfde Bouwcentrum ingeschakeld voor een contra-expertise.

Aan de opzet van de Kwalitatieve Woningregistratie is niets mis, verklaart ir. J. van der Marel, onderzoeker van het Bouwcentrum. “Het gaat er om hoe het gebruikt wordt.” De registratie is ontworpen om een beeld te krijgen van de hele woningvoorraad. VROM heeft het systeem echter gebruikt om een selectie te krijgen van de slechte woningen. Maar daarvoor is de steekproef te klein, concludeert Van der Marel. “VROM heeft de registratie te eng gehanteerd en nu gebruikt voor zijn eigen beleid.”

Het Bouwcentrum heeft bij VROM geen bezwaar aangetekend tegen dit misbruik van zijn expertise. “Wij hebben bij VROM niks in de melk te brokken”, verklaart Van der Marel. Bovendien waren er aanwijzingen dat VROM niet gediend was van een andere benadering. “Ze hebben ons sterk afgeraden dit onderzoek voor Utrecht te doen”, aldus Van der Marel.

Woordvoerder W. Klein van VROM was nog niet op de hoogte van de bevindingen van het Bouwcentrum en kon dan ook nog geen commentaar geven. Hij onderstreept echter dat de Kwalitatieve Woningregistratie slechts een onderdeel is van de nieuwe verdeelsleutel.

Een ander bezwaar van Utrecht is dat de stad vergeleken met de andere drie grote steden relatief meer laagbouw heeft met veel eigenaar-bewoners, waardoor woningverbetering duurder is. Volgens VROM-woordvoerder Klein heeft het departement bij de verdeling juist voorrang gegeven aan steden met hoogbouw, omdat daar veel eerder een cumulatie van problemen optreedt.

Niettemin meent makelaar G. van Wolde, van een van de grotere makelaarskantoren in de stad, dat de hoge, “belachelijke” huizenprijzen en het grote aandeel van eigenaar-bewoners in Utrecht een extra handicap opleveren. “De eisen die de gemeente aan de woningverbetering stelt liggen zo hoog dat de mensen er gewoon het geld niet meer voor hebben.” Hij verwacht dat de fiscale aftrekbaarheid van het woningonderhoud die deze week is voorgesteld, vooral effect zal hebben bij de hogere inkomens. En die wonen in wijken die reeds zijn opgeknapt.