Ziekenhuizen willen af van vrije specialisten

ROTTERDAM, 16 MAART. De ziekenhuizen moeten een grotere greep krijgen op de medisch specialisten. Het inkomen van specialisten mag niet langer afhankelijk zijn van het aantal verrichtingen. Degenen die actief zijn in het besturen van het ziekenhuis moeten daarvoor extra betaald worden. Het systeem waarbij een beginnend specialist een grote zogeheten goodwill-som moet betalen om een praktijk te mogen uitoefenen, dient zo snel mogelijk te worden afgeschaft.

Dit schrijft een werkgroep van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) in het rapport Perspectieven voor de specialisten van overmorgen. Eind maart zullen de directies en medische staven van ziekenhuizen er een standpunt over bepalen.

De ziekenhuizen krijgen steeds meer verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en de doelmatigheid van de zorg, zo constateert de werkgroep. In tal van wetten wordt het ziekenhuis ook aansprakelijk gesteld voor wat door de in het ziekenhuis werkende maar zelfstandige specialisten wordt gedaan. Ook bij het publiek is er sprake van een verschuiving in opvattingen waarbij minder de individuele specialist en meer het ziekenhuis verantwoordelijk wordt gehouden voor de aard en omvang van de dienstverlening.

Ziekenhuizen en specialisten worden financieel steeds meer van elkaar afhankelijk, schrijft de werkgroep. Nu de ziekenhuizen aan een budget zijn gebonden is er voor het vrije ondernemerschap van de medisch specialist in de huidige vorm geen plaats meer. Volgens de werkgroep kunnen de ziekenhuizen op dit moment nauwelijks greep krijgen op de uitgaven zolang de vrij gevestigde specialist in feite het bestedingspatroon bepaalt. Daar staat tegenover dat de specialist als ondernemer met "handen en voeten' gebonden is aan het ziekenhuis, dat alle investeringen doet in ruimte, apparatuur, bedden en het grootste deel van het personeel.

In de huidige situatie hebben de ziekenhuizen en specialisten nauwelijks enige greep op elkaar. Beide partijen moeten gezamenlijk gaan optrekken, meent de werkgroep. Doelstellingen en beleid van beide partijen dienen meer met elkaar in overeenstemming te zijn. De medisch specialist moet in de ziekenhuisorganisatie worden gentegreerd. Hij dient een vanzelfsprekende inbreng op alle besluitvormingsniveaus in het ziekenhuis te krijgen. De geldende honoreringsstructuur staat deze ontwikkeling echter in de weg, zo constateert zij. Onder de huidige omstandigheden zou een specialist die tijd vrijmaakt voor het besturen van het ziekenhuis financieel worden "gestraft', want zijn collega die zich alleen met het uitoefenen van zijn praktijk bezighoudt haalt een grotere omzet.

De werkgroep wil daarom dat het ziekenhuis het honorarium van de medisch specialist gaat bepalen. Dat honorarium zou uit een vast salarisdeel en uit een variabel inkomensdeeldeel moeten bestaan. De hoogte van dit laatste wordt afhankelijk van interne produktie-afspraken, inconviënten, participatie in kwaliteitszorg en managementstaken, opleidingsinspanning en de situatie op de arbeidsmarkt.

Er zullen twee soorten specialisten ontstaan, zo verwacht de werkgroep. Als eerste is er de groep die kiest voor de geschetste "dienstverband-plus' variant. Dat zijn voornamelijk specialisten die naar aard en aanleg veel belangstelling hebben voor de ontwikkeling van het vakgebied en willen werken aan een gemeenschappelijk beleid op het gebied van kwaliteit en doelmatigheid. De tweede categorie is vooral genteresseerd in de meer ambachtelijke kant, namelijk het zo goed mogelijk uitoefenen van het vak. Uit de eerste groep komen de specialisten die aan het management van het ziekenhuis gaan deelnemen. De tweede categorie zal wel in het ziekenhuis kunnen blijven werken, maar onder veel striktere voorwaarden dan op dit moment. Voor hen zal het ziekenhuis vooral optreden als leverancier van faciliteiten onder voorwaarden die het ziekenhuis zelfstandig, en dus eenzijdig, kan bepalen.

De werkgroep vindt dat het huidige toelatingscontract op de helling moet. Dat regelt voornamelijk de dagelijkse gang van zaken waarbij het de rechten voornamelijk bij de specialist legt en de plichten bij het ziekenhuis. In het gewijzigde contract mag in elk geval geen ruimte meer zijn voor het vragen van een "goodwill-som' aan de beginnende specialist. Nu functioneert deze goodwill vaak als een oude dagsvoorziening voor de vertrekkende specialist. In veel specialistenmaatschappen moet de beginner daarvoor een bedrag op tafel leggen dat minimaal een jaaromzet is. Is er sprake van uitbreiding van de maatschap, dan wordt het bedrag verdeeld over de zittende "maten'. Volgens de werkgroep is de goodwill als onderdagsvoorziening niet meer nodig. De al betaalde goodwill door de zittende specialisten zou het ziekenhuis waardevast moeten uitkeren als deze in komende dertig jaar vertrekken.