Schönberg superieur en natuurlijk gespeeld door Arditti Kwartet; En weer gold voor de strijkers: zingen, zingen en nog eens zingen

ß8Serie "De tweede Weense school'. Concert door Arditti Kwartet. Werken van Webern, Schönberg en Zemlinsky. Gehoord: 12/3 Kleine Zaal Concertgebouw Amsterdam (uitz. Avro Radio 4, 5/5), herh: 15,17,18/3.

ß8Serie "Pioniers van onze eeuw'. Concert door Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor olv Richard Dufallo, met Sepp Grotenhuis (piano). Werken van Webern en Schönberg. Gehoord: 14/3, Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht (uitz. Veronica Radio 4, 13/5), herh: Radiogebouw Brussel, 15/3 (uitz. rechtstreeks op BRT 3) en Concertgebouw Amsterdam, 16/3 (uitz. Avro, Radio 4, 2/6).

Muziek van de "Tweede Weense School' - Schönberg, Berg en Webern - wordt dezer dagen gespeeld tijdens vier concerten van het Arditti Kwartet in het Amsterdamse Concertgebouw en tijdens een serie concerten van het Radio Filharmonisch Orkest. Op het eerste concert van het Arditti Kwartet klonk ook muziek van Alexander von Zemlinsky, een bescheiden man die leerlingen had maar geen jongere, bewonderaars maar geen propagandisten, een publiek maar geen gemeente. Als 52-jarige beleefde de vergeten componist in 1923 de bizarre sensatie, dat een Duits componist succes had met het plagiëren van Zemlinksy's Tweede Strijkkwartet opus 15.

Een jaar later verscheen Zemlinsky's Derde Strijkkwartet opus 19, een nog sterker werk dan opus 15 en het was jammer dat het Arditti Kwartet tijdens zijn eerste concert niet dit opus programmeerde, maar opus 15. Dit werk kreeg wel de verreweg beste uitvoering van de avond: Heftig und leidenschaftlich. Minstens zo belangrijk was dat de verheven lyriek van het slotdeel zo mogelijk nog meer spanning had: zingen, zingen en nog eens zingen, want Zemlinsky - en dit gold ook voor de leden van de Schönbergschool - schatte de vocale muziek het hoogst.

Arnold Schönbergs Vierde Strijkkwartet opus 37 uit 1936 herinnert aan Brahms dictum (aan Schönberg geopenbaard door Zemlinsky): “Ga bij schier onoplosbare problemen te rade bij Beethoven: hoe zou hij het hebben aangepakt?” Sterker nog, Schönbergs opus 37 is voor een belangrijk deel gemodelleerd naar Beethovens Strijkkwartet in f opus 59 nr. 1, met name in de maten 614-623 vindt men een verwijzing naar Beethovens eerste thema.

Het gevecht met de materie, de Beethoveniaanse heroïek, kwam vrijdagavond te weinig naar voren. Hoe vreemd het ook moge klinken: het Arditti Kwartet speelde Schönbergs opus veel te mooi en te beheerst, niet zelden in een melancholieke waas gehuld, veel minder extravert en vervoerend dan Zemlinsky's (gestolen) strijkkwartet. Dit hing ook samen met de glinsterende hoge tonen van primarius Irvine Arditti, vaak te elegant en niet snijdend genoeg. Bovendien ging men voorbij aan onmiskenbaar Weense accenten.

Die laatste ontbraken ook in de visie van Sepp Grotenhuis op Schönbergs Pianoconcert opus 42, gecomponeerd in de Verenigde Staten, waar Zemlinksy nog een mislukte poging deed om onder het pseudoniem Al Roberts overnieuw te beginnen. Maar Weens of niet, zelden hoorde ik zulk een natuurlijke uitvoering, superieur uitgewerkt in een onnadrukkelijke detaillering en grandioos in zijn ijzeren greep op het geheel, Grotenhuis “dacht mee” met het Radio Filharmonisch Orkest, dat onder Richard Dufallo zeldzaam geïnspireerd aansloot.

Diezelfde grote lijnen wisten Dufallo en de zijnen weergaloos knap vast te houden in Schönbergs Fünf Orchesterstücke opus 16. En weer gold voor de strijkers: zingen, zingen en nog eens zingen, want niet voor niets hebben de celli het laatste woord, het instrument van zowel Schönberg als Webern.

Staat Schönberg nog vaak vrij dicht bij Zemlinsky, Webern evolueert veel verder, zijn Zwei Lieder opus 19 uit 1926 had Schönberg nooit zo kunnen schrijven: in een afgewogen ascetisch ensemble voor vocaal kwartet (mijns inziens te verkiezen boven de drievoudige uitvergroting zoals zondagmiddag) en instrumenten als celesta, gitaar, viool, klarinet en basklarinet.

“Wit als lelies, reine kaarsen, sterren, in bescheiden buiging”, zo opent de Goethe-tekst, die over de eeuwen heen het hart van Weberns kunst uitstekend weet te treffen. Zeldzaam transparante muziek, bovendien met een voor de Schönbergschool ongebruikelijke slotnoot, waaruit humor spreekt.

Transparantie is ook het uitgangspunt in de cantate Das Augenlicht opus 26 (1935) naar een tekst van Hildegard Jone uit Viae inviae, die spreekt over het licht dat door onze open ogen binnenstroomt om in een zachte vreugde te weerkaatsen: troostende gedachten voor de volstrekt geïsoleerde componist.

Werken als deze cantate vormden kort na de oorlog de belangrijkste inspiratiebron voor de avant garde, maar zijn wat mij betreft - zeker als er sprake is van zulke liefdevolle en prachtig afgewogen uitvoeringen - nog steeds een ongrijpbaar wonder, een kunst die niet slijt.

Zowel de Avro als Veronica en de BRT zenden dit sublieme concert uit en in het kader van het Brusselse festival Ars Musica worden zelfs alle werken van Webern uitgevoerd. Weberns Tweede Cantate opus 31 werd in 1950 in première gebracht in BRT-Studio 4, dezelfde ruimte waar op 27 maart Weberns laatste cantates zullen worden gecombineerd met werken van Karel Goeyvaerts.