Nederlandse politie wil collega's Hongarije snel bij de tijd brengen; Hongaarse politie heeft niveau van Nederland in de jaren vijftig

WARNSVELD, 16 MAART. De Hongaarse politie is niet populair in eigen land. In Boedapest heeft het volk moeite met de nieuwe rol van het ministerie van binnenlandse zaken, het voormalige bolwerk van de communistische terreur. “Daar hoorde de politie bij”, zegt J. Dikkers, adjunct-directeur van het Politiestudiecentrum (PSC) in Warnsveld.

Sinds 1990 is Dikkers als coördinator organisatie-advisering betrokken bij het samenwerkingsverband van de Nederlandse en de Hongaarse politie. “In de afgelopen decennia zijn er in Hongarije systemen opgebouwd die de sociale isolatie van de politie bevorderen, met eigen politievakantiehuizen, -bioscopen en -ziekenhuizen. Complete woonblokken waar uitsluitend politiemensen wonen om maar geen contact te krijgen met de burger. Wij hebben ze gesuggereerd dat af te schaffen, juist omdat ze een nieuwe relatie willen met het publiek. Dan moet je wel zorgen dat een politieman gewoon op vakantie gaat en op de camping naast de slager en de bakker staat”, aldus Dikkers.

“Als die privileges de politieman worden afgenomen, is het beroep financieel onaantrekkelijk”, zo luidde volgen Dikkers de reactie op zijn suggestie. “De wil tot veranderen is er wel. Maar er is geen geld voor meer salaris als compensatie voor het inleveren van die voor hen aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden.”

Bij het begin van de Nederlands-Hongaarse samenwerking bleek al dat ook Oostenrijk, Zwitserland en België geïnteresseerd waren. Inmiddels hebben deze landen de taken verdeeld. Als enige intensiveert Nederland op dit moment de samenwerking. “Oostenrijk verlegt de prioriteit naar Tsjechië”, somt Dikkers op. “Zwitserland vindt het eigenlijk wel genoeg en van België is het zeer onzeker of ze nog meedoen.”

Die ontwikkeling is kenmerkend voor de willekeurige, hier en daar chaotische, wijze waarop West-Europa omspringt met ondersteuning en begeleiding van de politie in het voormalige oostblok, meent R. Linthorst van het Coördinerend Politie Beraad (CPB). Hij zat enkele weken geleden bij een tweedaagse conferentie in Wenen. Het Helsinki Institute for Crime-Prevention and Control deed samen met de Criminal Injustice Branche van de Verenigde Naties voor het eerst een poging een overzicht te krijgen van de activiteiten van de westerse politiekorpsen in het voormalige oostblok. “De situatie bleek niet erg helder”, zegt Linthorst. “Duidelijk werd dat soms meerdere westerse landen in een Oosteuropees land opereren zonder dat op elkaar af te stemmen, soms zelfs zonder dat van elkaar te weten. Internationale coördinatie in de zin van sturing vanuit één punt wordt niet op prijs gesteld. De betrokken landen willen zelf het initiatief houden. Het bleek zelfs moeilijk een volgende vergaderdatum vast te stellen. Sommige landen willen iedere zes maanden bijeenkomen, andere lieten blijken helemaal geen behoefte te hebben aan een volgend overleg.”

Volgens Linthorst opereren de meeste westerse landen vanuit het principe "U vraagt en wij draaien'. Ze bieden een cursus aan als daarom wordt gevraagd door een Oosteuropees land. Nederland daarentegen probeert eerst een relatie op te bouwen die uiteindelijk moet leiden tot structurele samenwerking. “Wij zijn allereerst geïnteresseerd in democratisering van de politie in het oosten en dan pas in hun criminaliteitsbestrijding”, aldus Linthorst.

Kennisoverdracht vanuit Nederland is het kenmerk van de overeenkomst met Hongarije. “We hebben er belang bij dat daar een stabiele democratie ontstaat”, zegt Dikkers. “Daarbij is de kwaliteit van hun politie van groot belang. Maar het is eenrichtingsverkeer, mijn werk als politieadviseur wordt door deze samenwerking niet verrijkt. We werken daar op een niveau waarmee de Nederlandse politie bezig was in 1950.”

Over de contacten op dit terrein met andere landen in het voormalige Oostblok is hij snel klaar. In Polen werd het eerste contact gelegd in 1990 door de toenmalige rijkspolitie. Enkele hier afgedankte politie-Volvo's werden de Poolse collega's bij die gelegenheid cadeau gedaan. Kort daarna kwam een aantal Poolse politieofficieren op tegenbezoek en vroeg om technische ondersteuning. Dikkers: “Ze wilden graag over het hoogwaardige vingerafdrukkensysteem van de CRI beschikken. Daar heeft de Tweede Kamer toen een stokje voor gestoken.” Die vond de politieke situatie in Polen te weinig stabiel om zo'n bijdrage te kunnen rechtsvaardigen. Bepaald werd dat uitsluitend immateriële ondersteuning was toegestaan aan landen in het voormalige Oostblok. Dikkers meent dat het overweging verdient voor Hongarije een uitzondering te maken.

Verontrust door de golf van criminaliteit die zich via Polen een weg baant naar West-Europa heeft de Nederlandse politie kortgeleden een onderzoekscommissie naar Polen gestuurd om te beoordelen of er eenzelfde project kan worden opgezet als in Hongarije. Het rapport "van Militia naar Politia' dat naar aanleiding van dit bezoek is opgesteld, wordt nu besproken in een commissie waarin de 26 regiochefs zitting hebben.

“Er hangt een gigantisch prijskaartje aan”, zegt Dikkers, vooruitlopend op de eindbeslissing. “Ik denk niet dat wij financieel in staat zijn met twee of drie landen samenwerkingsverbanden aan te gaan. Tsjechië en Polen zijn bovendien nog niet geschikt voor partnerships. De situatie bij de Poolse politie is nog zo weinig stabiel dat, als je vandaag met een hoge politieofficier praat, je nog maar af moet wachten of hij er morgen nog zit.”

De politietop in Hongarije is inmiddels grondig gezuiverd. “Het ging er met name om of de negentien provinciechefs in staat waren hun taak te vervullen in een democratische samenleving”, zegt Dikkers. “Op twee man na werden ze aan de kant gezet. Daarom bestaat de Hongaarse politietop nu voornamelijk uit jonge mensen.”

De keus voor samenwerking met Hongarije is desondanks min of meer toeval. Bij de Utrechtse politie liep een Hongaarse politie-officier stage toen de ondergang van het Oosteuropese communisme zich aandiende. Korpschef Wiarda begreep uit gesprekken met de man dat Hongarije ondersteuning kon gebruiken in de ontwikkeling naar een democratisch en efficiënt opererende politie. Het PSC werd ingeschakeld en met een miljoen gulden uit het Programma Samenwerking Oost-Europa (PSO) van Economische Zaken werd in november 1990 begonnen.

Na een grondige inventarisatie is inmiddels een analyse gemaakt van de wenselijke situatie in 1996. Als volgende stap wordt nu een "partnership' ontwikkeld van negentien Nederlandse politieregio's met ieder een Hongaarse provincie. Aanvankelijk waren de Nederlandse korpsen niet echt enthousiast over dit initiatief, ook al omdat ze zelf nog in de eindfase zaten van de ingrijpende reorganisatie waarbij gemeentepolitie en rijkspolitie zijn samengebracht in 25 regiokorpsen. “Maar in oktober vorig jaar zijn we met alle Nederlandse regiochefs naar Hongarije geweest”, zegt Dikkers. “Toen we terugkwamen waren er al 16 over de streep getrokken. Inmiddels is de zaak rond. De Hongaarse politie mist ervaring met een democratische benadering. De beste leermethode is ze hier naartoe halen en laten zien hoe wij het doen. Daarom moet je ook uitwisselen op agentenniveau. Loop maar binnen bij elkaar en ga discussies aan.”