Met z'n allen tegen vader

Gespannen zwijgend zit meneer Bennes op de gang naast zijn advocaat, mr. C. Starmans. Veel anders dan zwijgen in deze situatie kan hij niet, want hij beheerst de Nederlandse taal na 28 jaar verblijf alhier nog zó slecht dat hij een tolk nodig heeft. Maar hij is om nog een andere reden een beetje een tragische man, ook al heeft hij het er zelf naar gemaakt.

Bennes is door vrouw en dochters op straat gezet. Dat is voor een Nederlandse man al niet leuk - ook al lijken sommigen ernaar te verlangen - maar voor een Marokkaanse man is het ronduit een vernedering.

Het komt allemaal door de gebeurtenissen van 30 juni 1990, liefst tweeëneenhalf jaar geleden dus - de gerechtelijke molens malen niet, zij kruipen. Op die dag brak er een furie los in huize Bennes die de toen 51-jarige huisvader in één woedende vlaag de deur uitblies. De lezing van de gebeurtenissen verschilt per getuige, maar over de uitkomst kan geen twijfel bestaan: ma en dochters waren blij dat pa eindelijk opgehoepeld was.

“Ziet u de zes kinderen uit uw huwelijk nog wel eens?” vraagt de Utrechtse politierechter, mevrouw mr. H. Gorter.

“Nee”, laat Bennes via zijn tolk weten, “maar ik heb veel behoefte om ze te zien. Ik heb ze lief.”

De gevoelens zijn kennelijk niet wederkerig. Zijn echtgenote en oudste dochters verwijten hem dat hij een waar schrikbewind uitoefende. Veel harde woorden, veel slaag - ook voor de echtgenote. Bennes was in 1990 22 jaar getrouwd. Zijn vrouw was pas in 1984 naar Nederland gekomen, de kinderen volgden enkele jaren later. Toen het hele gezin eenmaal in Nederland herenigd was, ontstonden de problemen. Mevrouw Bennes mocht de deur niet uit en de dochters moesten na school zo gauw mogelijk weer thuiskomen. Dat viel vooral de meisjes zwaar, want zij vernederlandsten snel.

De sfeer in het gezin verslechterde. Meneer Bennes liet zich soms ontvallen dat hij ma, Hafas - de 15-jarige dochter - en een zoontje liefst nog hetzelfde jaar "in een doodskist naar Marokko wilde terugsturen'. Hij zou liever een andere vrouw nemen dan zich nog langer te laten dwarsbomen door zijn huidige eega. Geen uitspraken waarmee je de hoeksteen van de samenleving gezamenlijk overeind houdt.

Volgens Hafas gebeurde er op 30 juni 1990 het volgende. De sfeer was de hele dag al gespannen geweest toen zij 's avonds om zes uur naar de keuken liep met een hete bakplaat. Op de gang kreeg ze van haar vader een duw. Ze viel bijna, maar bereikte toch nog de keuken waar haar moeder en enkele zusjes stonden. Meneer Bennes kwam haar achterna, roepend: “Ik maak jou eerst dood, en jullie gaan er allemaal aan.”

Hij pakte een mes uit de keukenla en sloeg ermee naar Hafas. Hij schampte haar neus en pols. Tegen de politie zei Hafas later: “Als ik niet opzij was gesprongen en moeder tussenbeide was gekomen, dan was ik doodgestoken.” Nu liep ze niet meer dan een snijwondje op.

Meneer Bennes kwam bij de politie met een heel ander verhaal. Hij beweerde dat Hafas met Chama, een ander zusje, in de keuken had geruzied. Chama zou daarbij haar zus met een mes in de lip hebben geraakt. Hij zou zich aan het geruzie onttrokken hebben door zich onder de douche op het avondgebed voor te bereiden. Om het nog ingewikkelder te maken: zijn lezing werd door Chama gedeeltelijk - wat betreft het mes - bevestigd, maar door weer een andere dochter plus ma tegengesproken. Mevrouw Bennes voegde er nog aan toe dat zij in de keuken door haar man in de buik was geschopt.

Pas met de komst van de politie kwam er een einde aan het gekrakeel. De politie nam meneer Bennes zijn sleutels af en zette hem het huis uit.

“Bent u daarna nog teruggegaan?” vraagt de rechter.

“Ja. Om mijn spullen te pakken. Daarna heb ik vier weken op straat gezworven. Toen ben ik naar Marokko gegaan om met een andere vrouw te trouwen.”

“Was dat volgens de Marokkaanse wet mogelijk? U was toch nog niet gescheiden?”

“Dat was toegestaan. Ik hertrouwde omdat mijn vrouw loog.”

“Uw vrouw heeft gezegd dat zij elke dag door u geslagen werd.”

“Ik heb haar nooit aangeraakt.”

“Maar al uw dochters verklaren dat het huwelijk slecht was.”

“Het was de schuld van mijn dochters. Zij hebben hun moeder beïnvloed. De dochters wilden zonder vader verder leven.”

“Zij waren voor u te vrij geworden?” vraagt de rechter.

“Ik ben 28 jaar in Nederland. Het grootste deel heb ik bij Nederlandse gezinnen doorgebracht. Met die vrijheid heb ik nooit problemen gehad.”

De officier van justitie, mevrouw mr. Y. Kruyer, beschuldigt meneer Bennes van poging tot doodslag of zwaar letsel op dochter Hafas en mishandeling - op dezelfde dag - van zijn vrouw. “Als het delict van recenter datum was geweest, zou ik drie maanden gevangenis onvoorwaardelijk hebben geëist”, zegt ze. “Nu laat ik het bij twee maanden waarvan een maand voorwaardelijk.”

De culturele achtergrond van de gebeurtenissen vormen voor de officier geen verzachtende omstandigheid. “Dat bevreemdt me”, zegt de advocaat. “De culturele achtergrond van allochtonen is wel degelijk van belang. De rechter mag die niet buiten beschouwing laten.”

Hij wil uitweiden over jurisprudentie als de rechter hem onderbreekt. “Mag ik u erop wijzen dat dit een politierechterzitting is?” Het duurt haar te lang, hoewel de advocaat nog niet overdreven lang aan het woord is.

“Ik vind dit relevant”, houdt de advocaat vol. “Volgens de Koran zijn vrouwen ondergeschikt aan mannen. Hafas heeft hem tijdens de ruzie beledigd - dat aspect mag de strafmaat best beïnvloeden.” Hij gelooft bovendien dat echtgenote en de meerderheid van de dochters de verklaringen hebben opgesteld om hun vader te belasteren en zodoende zijn vertrek te forceren.

“Ze wilden mij uit huis krijgen”, zegt ook Bennes. “Dat is ze gelukt. Ik zou nooit met een mes naar mijn dochter slaan. Het is mijn dochter, het is vlees van mij.”

De rechter acht de poging tot het toebrengen van zwaar letsel bij Hafas bewezen. Dit omdat het verhaal van Hafas ondersteund wordt door de moeder en een zusje. Maar ze spreekt Bennes vrij van de mishandeling van zijn vrouw op de bewuste dag. Met de culturele achtergrond wil ze niet te veel rekening houden. “In iedere cultuur”, zegt ze, “is de mishandeling van een eigen kind een verzwarende omstandigheid.” Ze legt Bennes acht weken gevangenis op waarvan zes weken voorwaardelijk. “Dus twee weken zitten”, zegt ze tegen hem.

Bennes hoort het nogal onaangedaan aan. Zijn tweede vrouw schenkt hem binnenkort een zevende kind. Zal hij straks in zijn oude fouten vervallen, had de officier zich afgevraagd. Maar wat voor de één fouten zijn, zijn voor de ander gewoonten.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.