Jaarverslag: Europese Commissie doet te weinig aan fraudebestrijding; Europese Rekenkamer kritiseert Brussel; Minister Kok deelt kritiek van Europese Rekenkamer

BRUSSEL, 16 MAART. De Europese Rekenkamer heeft scherpe kritiek op de houding van de Europese Commissie bij de bestrijding van fraude. De Rekenkamer vindt dat de Commissie kritiek te gemakkelijk naast zich neerlegt en onvoldoende gehoor geeft aan aanbevelingen om de controle te verbeteren.

Dat blijkt uit een begeleidende brief die de Nederlandse president van de Rekenkamer, André J. Middelhoek, heeft geschreven aan de EG-ministers van financiën. De ministers behandelden gisteren in Brussel het jaarverslag 1991 van de Rekenkamer. Dat rapport werd afgelopen najaar gepubliceerd en bevat een waslijst van kritiek, niet alleen op ondoelmatige besteding van EG-steun, maar ook op misbruik van gelden en gebrek aan controle.

Middelhoek, die in januari voor drie jaar tot president van de in Luxemburg gevestigde Rekenkamer werd benoemd, schrijft dat veel van de kritische opmerkingen in het jaarverslag niet nieuw zijn. Maar het is volgens hem nodig “jaar en jaar dezelfde of soortgelijke kritiek en aanbevelingen te herhalen, zolang er geen corrigerende maatregelen zijn getroffen”.

Minister Kok liet gisteren na de vergadering weten dat hij de kritiek van de Rekenkamer op de Europese Commissie deelt. De Commissie verweert zich onder andere door te stellen dat veel uitgaven het gevolg zijn van politiek handje klap tussen Brussel en de lidstaten, en dat kritiek daarop niet moet worden geventileerd aan het adres van de Commissie. Die reactie is “beneden de maat”, aldus Kok.

Mede op Nederlands verzoek besloten de ministers van financiën gisteren dat ze later in het jaar nog eens zullen praten over een betere bestrijding van fraude en een beter toezicht op doelmatige besteding van de gelden. Dat zal gebeuren aan de hand van een verslag dat zal worden opgesteld door topambtenaren van de twaalf lidstaten in Brussel. Kok zei erg te hechten aan een goede besteding van EG-gelden. “Iedereen praat over doorzichtigheid en over het vertrouwen van de burger in Europa. Als de burger gaat twijfelen over de besteding van zijn geld en aan de maatregelen om fraude tegen te gaan, groeit de neiging dat hij zal zeggen: geef de rest ook maar aan fikkie”.

De inhoudelijke reactie die de Commissie traditiegetrouw geeft op het jaarverslag van de Rekenkamer, en die mee wordt gewogen in de behandeling door de ministers van financiën, noemt Middelhoek een goede illustratie “van een minder positieve houding”. Hij verwerpt het verwijt van de Commissie dat de Rekenkamer “unfair” is door geen rekening te houden met allerlei specifieke problemen die opdoemen bij procedures die samen met lidstaten worden uitgevoerd. De Commissie vindt ook dat de oorzaak van onjuiste bestedingen vaak niet bij haar, maar bij de lidstaten gezocht moet worden. De Rekenkamer zegt daarvan dat “noch het beginsel van partnerschap noch het begrip van gedecentraliseerd beheer” betekent dat de Commissie minder verantwoordelijkheid draagt voor de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen en voor de uitvoering van de begroting.

Middelhoek verwerpt eveneens het verwijt van de Commissie dat de Rekenkamer zich op politiek glad ijs begeeft door zich uit te laten over doelstellingen en politieke inhoud van de communautaire acties. “Een goed onderzoek naar de kwaliteit van het financieel beleid houdt noodzakelijkerwijze in dat wordt nagegaan wat er mis is gegaan en waarom de doelstellingen niet zijn verwezenlijkt. Het is noch kritiek op de wetgever, noch een overschrijding van de bevoegdjheid van de Kamer wanneer zij commentaar levert op onvolkomenheden in de wetgeving als middel om politieke doelstellingen te bereiken”.

Andere belangrijke punten in de brief van Middelhoek betreffen: Slechts drie van de acht lidstaten die de Rekenkamer in 1991 bezocht, bleken te beschikken over een betrouwbaar intern controlesysteem om de uitgaven voor het EG-landbouwbeleid in de gaten te houden. Landbouwuitgaven beslaan meer dan de helft van de EG-begroting.“Doordat het om zeer grote bedragen gaat en de wetgeving ingewikkeld is en vaak verandert, is het frauderisico bijzonder hoog en moeten de systemen van "internal control' uiterst effectief zijn”. De vorig jaar doorgevoerde hervorming van het Europese landbouwbeleid zal het nog moeilijker maken om de uitgaven te beheersen. “De ervaring leert dat steun die afhankelijk is van het aantal dieren, bomen of hectaren een groot aantal controleproblemen oplevert”. De zogeheten structuurfondsen van de EG (onder andere voor regionale steun en voor steun aan achtergebleven gebieden in de gemeenschap) zijn een aantal jaren geleden hervormd, onder andere om ze beter op elkaar af te stemmen. Maar de Rekenkamer constateert dat sommige mogelijkheden om tot een grote synergie te komen niet zijn benut. Volgens de Rekenkamer wordt er bij de besteding van de gelden uit de structuurfondsen nog onvoldoende gekeken naar de dringendheid van de behoefte. Ook worden de uitgaven nog onvoldoende geëvalueerd. “Sinds Keynes zijn "General Theory' schreef, weten we dat de overdracht van geldmiddelen aan landen en regio's hun bruto produkt zal verhogen, maar dit zegt nog niets over de kwaliteit en de inhoud van structurele maatregelen”. De Rekenkamer heeft ook “grote tekortkomingen” aangetroffen in het financiële beheer van steun aan derde landen, zowel in Midden- en Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie als in de ontwikkelingslanden. Er bestaat duidelijk behoefte aan een beter toezicht op de steunmaatregelen. Het Verdrag van Maastricht voorziet in een versterking van de rol van de Europese Rekenkamer. Die moet voortaan elk jaar een verklaring opstellen over de betrouwbaarheid van rekeningen. Om die taak naar behoren te kunnen uitvoeren, zijn extra financiële middelen nodig, aldus Middelhoek. Maar ook los daarvan: “Het is duidelijk dat het voortbestaan van ernstige tekortkomingen in de interne controle bij de centrale en perifere activiteiten van de Gemeenschap zal betekenen dat elke verklaring omtrent de betrouwbaarheid van de Kamer zeer waarschijnlijk voorzien zal zijn van een ernstig voorbehoud ten aanzien van grote bedragen aan openbare middelen”.

Betere interne controle, zowel in de instellingen als bij de instanties van de lidstaten, is van cruciaal belang, aldus Middelhoek.