Fiscale aftrek onderhoud leverde veel te weinig op

DEN HAAG, 16 MAART. De geschiedenis herhaalt zich. Bijna tien jaar geleden, op 14 juni 1983, ging de Tweede Kamer ermee akkoord dat voor huiseigenaren groot onderhoud en schilderwerk tot 1986 fiscaal aftrekbaar zouden zijn. Het CDA/VVD-kabinet-Lubbers-I wilde op die manier zwart onderhoudswerk witwassen. Dat zou flink wat werkloze bouwvakkers weer aan het werk helpen.

Alle linkse partijen, inclusief de PvdA, stemden indertijd tegen. Maar gisteravond kwam PvdA-fractieleider Wöltgens met hetzelfde idee. En opnieuw voor drie jaar, tot 1996. Dankzij deze vorm van lastenverlichting kunnen volgens hem duizenden nieuwe arbeidsplaatsen ontstaan.

De vraag rijst of Wöltgens zich in het recente verleden heeft verdiept. Want het succes van de maatregel van 1983-1986 was buitengewoon mager. In 1985 wees staatssecretaris Koning van Financiën een verlenging resoluut van de hand. Want het werkgelegenheidseffect was nihil.

Verwonderlijk was dat niet. De nieuwe faciliteit, waarover het kabinet en de Kamer in het voorjaar van 1983 eindeloos hadden gekibbeld (er werd bijkans meer aandacht aan geschonken dan aan de Rijksbegroting zelf), was buitengewoon ingewikkeld, met drempels, maxima en andere voorwaarden. De omvang van de faciliteit was bovendien zo beperkt dat het voor veel huiseigenaren aantrekkelijker bleef een zwartwerker in te schakelen dan een wit werkende bouwvvakker.

Al met al was de uitkomst voor het Rijk paradoxaal: de maatregel leverde minister van Financiën Ruding per saldo zelfs geld op. In 1983 verwachtte het kabinet nog dat de kosten 240 miljoen gulden zouden bedragen. Om hiervan een deel te financieren werd het huurwaardeforfait - het bedrag dat huiseigenaren voor de belastingheffing bij hun inkomen moeten optellen - verhoogd, van 1,3 naar 1,6 procent van de waarde van het huis in bewoonde staat. Die lastenverzwaring voor alle huiseigenaren zou 130 miljoen gulden opleveren. Een andere vorm van 'dekking' werd, tot grote irritatie van Ruding, gevonden door gronden die hun landbouwbestemming verliezen bij verkoop zwaarder te belasten. Opbrengst: twintig miljoen.

De netto-kosten zouden dus circa 100 miljoen gulden bedragen. Maar omdat het gebruik van de belastingfaciliteit fors tegenviel was in 1983 en 1984 sprake van een netto-opbrengst van 50 tot 100 miljoen gulden. De werkgevers- en werknemersorganisaties in de bouw stelden daarom voor de fiscale aftrek voor woningonderhoud te vervangen door een regeling met directe subsidies. Dit analoog aan de regeling voor de “winterschilder”, met een vast bedrag per dag voor rekening van de overheid.

Is de oplossing dan wellicht een herstel van volledige aftrek van onderhoud aan het eigen huis, zoals die tot 1971 bestond? In het concept voor het verkiezingsprogramma waaraan het CDA in 1985 werkte, was een dergelijke maatregel opgenomen. Ook de anti-fraude-commissie "Ismo' was indertijd voorstander. Maar staatssecretaris Koning van Financiën veegde op 1 juni 1985, voor de Vara-radio, de vloer aan met het idee.

Een herstel van de volledige aftrek van de onderhoudskosten zou volgens Koning zoveel geld kosten dat het huurwaardeforfait verder omhoog zou gaan van 1,6 procent tot liefst 8,5 procent. Een financiering langs die weg is nu nog onwaarschijnlijker dan toen. De politiek stampij over de recente, beperkte verhoging van het huurwaardeforfait spreekt wat dat betreft boekdelen.