Een vrije rit

EEN OV-JAARKAART voor de dokter, waarschuwde VNO-voorzitter Rinnooy Kan anderhalf jaar geleden toen de staatssecretaris van volksgezondheid zijn plannen ontvouwde voor een nationale gezondheidszorg.

De geneesmiddelen worden ondertussen omgeslagen over de AWBZ, zodat consumenten van medicijnen bij de afhaalbalie van de apotheek niet langer het gevoel hebben dat ze direct verantwoordelijk zijn voor de uitgaven. Zoals voorspeld vallen de uitgaven voor de AWBZ hoger uit dan de staatssecretaris had geraamd. Zo werkt de afwezigheid van een financiële prikkel.

Voor studenten heeft het ministerie van onderwijs een paar jaar geleden een vrijkaart voor het openbaar vervoer uitgegeven. Onderwijs moest bezuinigen, een paar slimme adviseurs bedachten de OV-jaarkaart voor studenten en het ministerie betaalde die door te korten op de studiebeurs. Opnieuw bleek in Den Haag en Zoetermeer de blinde vlek voor het marktmechanisme: de OV-jaarkaart geeft de illusie dat reizen gratis is en de studenten maken in veel grotere aantallen gebruik van trein, tram, bus en metro dan was berekend.

EEN RONDE verder moeten de Nederlandse Spoorwegen, de stads- en streekvervoerbedrijven en het ministerie van onderwijs het contract voor de OV-jaarkaart verlengen. Hier doet zich een conflict voor: NS willen meer geld voor de geleverde diensten, het ministerie moet nog steeds bezuinigen en de studenten willen hun goedkope kaart behouden. Dat is het moment waarop Kamerleden met creatieve plannen komen die de zaak nog ingewikkelder maken. Een chipkaart voor studenten en het maken van een onderscheid tussen in het weekeinde en door-de-week reizende studenten zijn inmiddels voorgesteld. In beide gevallen wordt veronachtzaamd dat democratisering van de lusten en socialisering van de lasten altijd misloopt.

Bij de medicijnen in de AWBZ en bij de OV-jaarkaart voor studenten moet het marktmechanisme worden hersteld. Daarvan geeft de overheid al jaren hoog op, maar als het om oplossingen voor praktische vraagstukken gaat, verdwijnt dit beginsel uit het zicht. In beide gevallen bestaat de oplossing uit een eigen bijdrage. Geef de studenten geen kaart voor onbeperkt vervoer, maar een kortingskaart waarmee ze bij het loket voor iedere reis een kaartje tegen gereduceerd tarief kunnen kopen. Afstand en aantal reizen worden dan uitgedrukt in kosten voor de gebruiker.

IN DE ZACHTE aanpak oogt dat onrechtvaardig, omdat de ene student dichter bij huis woont dan de ander, en omdat de één vaker reist dan de ander. Individueel zullen de uitgaven voor vervoer dus verschillen, maar ze zijn dan wel in overeenstemming met het gebruik dat van het openbaar vervoer wordt gemaakt. Vervoer is dan niet langer een gratis verplaatsing, maar een dienst waarvoor de gebruiker een prijs moet betalen. Als politici zich graag met details willen bemoeien, kunnen ze twisten over de vraag hoe groot het kortingspercentage zou moeten zijn dat aan houders van de nieuwe studentenkaart verleend wordt. Als het maar geen vrije ritjes zijn.