Deelnemen aan VN-operaties impliceert altijd risico's

“Een machtsapparaat verliest aanzienlijk aan effectiviteit, als de leden ervan na bevind van zaken kunnen uitmaken aan welke activiteiten zij wel en aan welke zij niet menen kunnen deel te nemen.” Wie meent dat hier een geestverwant van Machiavelli aan het woord is heeft het mis. Het betreft hier een uitspraak van de toenmalige secretaris van de WRR en thans hoogleraar mensenrechten in Leiden en Utrecht, dr. P.R. Baehr, tijdens een studiedag over "VN-vredesmachten, Unifil en Nederland' op 20 oktober 1980. Baehr nam hiermee een duidelijk standpunt in over de toen actuele vraag of dienstplichtigen uitzending naar Libanon konden weigeren. Want, zo merkte hij op: “Waar het op neerkomt is dat de mogelijkheid voor de regering om te bepalen of zij eenheden al dan niet in internationaal verband kan inzetten in onaanvaardbare wijze zou worden ingeperkt, als het recht van weigering om aan bepaalde acties deel te nemen gemeengoed zou worden.”

Politiek Den Haag koos echter voor een andere lijn. Hoewel verplichte uitzending van dienstplichtigen naar vredesmachten of andere internationale operaties juridisch mogelijk is, geschiedt zoals bekend de inzet uitsluitend op vrijwillige basis. In de nieuwe veiligheidssituatie is dit echter onaanvaardbaar. Wat is immers het geval? In de Defensienota 1991 en Prioriteitennota 1993 is een forse accentverschuiving naar mondiale crisisbeheersingsoperaties in het takenpakket van onze krijgsmacht te onderkennen. In beginsel dienen alle eenheden ook voor VN-taken beschikbaar te zijn. Het is duidelijk dat voor dit soort operaties de afhankelijkheid van de vrijwilligheid van personeel uit den boze is. De inzet voor deze nieuwe taken vereist parate, goed opgeleide en geoefende, op elkaar ingespeelde eenheden en geen "gelegenheidscombinaties'. Hierin ligt dan ook een belangrijk, zo niet het belangrijkste argument voor afschaffing van de opkomstplicht voor dienstplichtigen besloten. Wie nu denkt dat minister ter Beek met een vrijwilligers-krijgsmacht van het probleem "vrijwilligheid' is verlost lijkt het mis te hebben. Sinds enige maanden is de beroepsmilitair die verkondigt dat hij niet voor "ver van zijn bed-show'-taken bij de krijgsmacht is gekomen een nieuw fenomeen in onze media. Tegelijkertijd is hiermee een dankbaar terrein voor het onvermijdelijke opinie-onderzoek braak komen te liggen.

Afhankelijk van de behoefte van de opdrachtgever tot het houden van een enquête is maatwerk verzekerd. Zo meldde de voorzitter van de militaire vakbond AFMP, Snoep, de "schokkende' resultaten van een onder zijn leden gehouden enquête. De meerderheid (55 procent) herkent zich niet in de nieuwe taken. “Zo'n inzet heeft niets met de belangen van Nederland te maken” is hun mening. Bijna eenderde is niet bereid aan VN-operaties mee te doen. Kortom gegevens die goed als steun kunnen dienen voor het eerder door de AFMP gelanceerde idee van een bedenktijd voor beroepsmilitairen. Anders gezegd: “Als een beroepsmilitair zich niet kan verenigen met deze nieuwe taken dan moet hem de mogelijkheid geboden worden zijn bezwaren kenbaar te maken bij een commissie als bedoeld in de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Indien door deze commissie de bezwaren als echt worden onderkend, volgt ontslag met toepassing van de wachtgeldregeling.”

Ter legitimering van een en ander komt een staatrechtelijke exegese van de zijlijn dan mooi van pas. Een legalistische benadering van controversiële zaken in ons land is immers nog altijd een beproefde methode om veranderingen tegen te houden. Tegenstanders van de nieuwe taken van onze krijgsmacht tuigen dan ook de volgende juridische argumentatie op. In artikel 195 van onze Grondwet staat dat er een krijgsmacht is “tot bescherming der belangen van de Staat”. Uit artikel 194 is af te leiden, dat men daarbij vooral moet denken aan “handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk” en “verdediging van zijn grondgebied”. Wat leert de parlementaire geschiedenis ons echter?

Bij de Grondwetsherziening van 1887 werd met opzet gekozen voor de ruime formulering “belangen van de Staat” aangezien reeds toen de Kamer van oordeel was dat de hierboven in artikel 194 gemelde uitleg te beperkt was om alle toenmalige taken van de krijgsmacht te omvatten. Een nadere specifisering van de “belangen van de Staat” is te vinden in het regeringsvoorstel van 6 juni 1985 tot verandering van bepalingen in de Grondwet inzake de verdediging. Artikel 97 lid 1 luidt: “Ten behoeve van de militaire verdediging van het Koninkrijk, het vervullen van internationale taken met gebruik van militaire middelen en de hulpverlening door militairen is er een krijgsmacht. Ter zaken kunnen plichten worden opgelegd volgens bij de Wet te stellen regels.”

Dit artikel dat deel uitmaakte van een modern Defensieparagraaf werd zowel in eerste als in tweede lezing door een meerderheid van de Kamer aangenomen. De indiening van een amendement door de PvdA dat verband hield met het besluit van de regering in te stemmen met de stationering van kruisvluchtwapens in Nederland en los van artikel 97 stond, leidde echter in tweede lezing niet tot de vereiste tweederde meerderheid, omdat de sociaal-democraten tegen stemden. Los van dit juridische steekspel, is echter van meer belang dat in de nieuwe veiligheidssituatie de militaire professie een nieuwe dimensie krijgt.

Minister Ter Beek merkte hierover vorig jaar terecht op: “Als gevolg van de nieuwe taken die zich ontwikkelen voor de krijgsmacht betekent herstructurering ook een mentale omschakeling bij de mensen. Men moet leren leven met het onzekere. Onzeker wat betreft het soort operatie, onzeker wat betreft de omstandigheden, onzeker wat betreft het terrein, onzeker wat betreft de risico's die men loopt.”

Wat dat laatste betreft: deelname aan VN-operaties betekent per definitie het lopen van risico's. Het delen van deze risico's met andere landen heet solidariteit. Zonder deze is een internationale rechtsorde niet denkbaar. Artikel 90 van de Grondwet luidt immers: De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde. Dat is al vanouds een Nederlands belang. En voor de behartiging van dit belang beschikken wij onder meer over een krijgsmacht.