De barmhartige antichrist

Het houdt niet op. Mijn interpretatie van Dostojevski's Groot-Inquisiteur blijft de pennen in beweging brengen. Dat is verheugend, maar ook merkwaardig. Want het was niet de eerste keer dat ik met die interpretatie voor den dag kwam, toen op 22 december 1992 mijn artikel verscheen, dat op z'n minst tien reacties uitlokte (waarvan die van H. Wolzak in de krant van 3 maart de - tot dusver - laatste was).

Die lawine van reacties is merkwaardig, omdat de vorige keren ik boe noch ba vernam. Voor zover ik kan nagaan, bracht ik "De legende van de groot-inquisiteur' voor het eerst ter sprake in 1966. Een pater Van Doornik had geprotesteerd tegen de ontmythologisering van het dogma van Maria's maagdelijkheid door een andere pater. Let wel: hij had geen bezwaar tegen die ontmythologisering op zichzelf, maar wel tegen het feit dat daardoor mensen geschokt en in verwarring gebracht werden. Ik vergeleek toen pater Van Doornik met de groot-inquisiteur, die immers ook de kleine, zwakke mensen tegen de waarheid in bescherming neemt.

Twee jaar later deed paus Paulus VI in zijn encycliek Humanae Vitae een beroep op de gelovigen zelfbeheersing in het huwelijk te betrachten en aldus de bevolkingsgroei tegen te gaan. Prachtig, schreef ik toen, maar hoevelen zijn tot die zelfbeheersing in staat? Treft de paus niet het verwijt dat de groot-inquisiteur, in Dostojevski's legende, de weergekeerde Christus doet: “Of is u slechts die kleine schare van sterke en grote geesten dierbaar, en niet de grote massa der arme kleine zielen?”

Meer ten principale behandelde ik de legende in mijn "preek' in het Amsterdamse Paradiso (januari 1988), die bijna volledig in De Groene en daarna (1989) in een bundel van mijn artikelen werd gepubliceerd. Geen enkele reactie daarop, en nu wel. Hoe zou dat komen? Ik weet het niet. Maar interessant is het wel.

Na mijn tweede artikel over dat thema (2 januari) ga ik niet opnieuw mijn interpretatie verdedigen - zeker niet nadat prof. K. van het Reve haar heeft onderschreven (15 februari). (Dat Van het Reve een hekel heeft aan Dostojevski, lijkt mij een curieus argument tegen zijn redenering, maar Wolzak bezigt het.)

In plaats van een herhaling zal ik citeren uit Dostojevski en Nietzsche van Walter Schubart. Dit boek van de Baltische hoogleraar verscheen, in Nederlandse vertaling, in 1941 of 1942, en ik had het sindsdien niet ingekeken - ook niet toen ik met mijn interpretatie voor den dag kwam. Ik was het glad vergeten. Wat blijkt Schubart nu over de groot-inquisiteur te schrijven?

“Zedelijke vrijheid maakt voor Dostojevski de inhoud van de christelijke leer uit. God wil dat de mens, gedreven door vrije wederliefde, tot Hem komt; dat is het doel van het wereldproces. Zijn vrije wil, het recht en de plicht die hij heeft zelfstandig tussen goed en kwaad te kiezen, maakt zijn hoogste goed uit, maar vormt te zelfdertijd zijn zwaarste last. (...)

“Dostojevski is zich klaar bewust van wat het betekent de mens verantwoordelijk te stellen voor het nemen van de allermoeilijkste en zwaarste beslissing. Voor tallozen betekent dat de ondergang en voor slechts zeer weinigen de weg naar de verlossing. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren; maar ter wille van die weinigen moet de ondergang van de velen aanvaard worden.

“Deze opvatting van het christendom draagt een onmiskenbaar aristocratische karaktertrek. Dostojevski eist hier, als elders, het schier bovenmenselijke van de mens. (...) Dostojevski kent de tegenwerpingen die men tegen zijn harde leer in zou kunnen brengen en legt ze in de mond van de groot-inquisiteur. (...)

“Dostojevski's antichrist is de groot-inquisiteur: de vriend van de mens, maar te zelfdertijd hij die de grootste verachting voor hem koestert; hij verwacht niet veel van de mensheid, maar heeft medelijden met haar en wil haar helpen; de aardse voorspoed van de mensen boezemt hem meer belang in dan het heil van hun ziel. (...) Met het doel de mensen gelijk en gelukkig te maken berooft de Antichrist hen van hun vrijheid.”

Een soortgelijke interpretatie geeft de wijsgeer Nikolaj Berdjajev in zijn boek dat in Duitse vertaling Die Weltanschauung Dostojewskijs heet (München 1925) en waarin een heel hoofdstuk aan de groot-inquisiteur gewijd is. (Dit boek had ik tot een paar weken geleden nog nooit gelezen.) Hieruit onder andere:

“De groot-inquisiteur wordt tot pleitbezorger van de machteloze mensheid, neemt haar in naam van de liefde voor de mensen het geschenk der vrijheid, die met lijden belast is, af. (...) Het systeem van de groot-inquisiteur lost alle vragen over het aardse welzijn van de mensen op.” Volgens Berdjajev had Dostojevski nog meer het socialisme dan het katholicisme op het oog: “Wanneer er geen waarheid en geen zin van het leven is, dan blijft er slechts één hoger motief: medelijden met de mensenmassa, het verlangen haar in haar korte leven op aarde een zinloos geluk te geven. Het gaat hier natuurlijk” - zo voegt Berdjajev hieraan toe - “om het socialisme als nieuwe religie, niet als systeem van sociale hervormingen, niet als wetenschappelijke organisatie, die haar waarheid hebben kan.”

En ook Berdjajev ziet in de groot-inquisiteur de antichrist. “Het principe van de antichrist is immers niet het oude, grove, dadelijk herkenbare kwaad. Het is een nieuw, verfijnd en verleidelijk kwaad, dat altijd in de gestalte van het goede optreedt.” Het zou mij, bij nader inzien, niet verbazen als Schubart zwaar uit Berdjajev zou hebben geput.

Hoe dat ook zij - in deze interpretaties herken ik veel van de mijne. Daarmee is zij nog niet tot de enig ware verheven - Berdjajev erkent zelf dat de legende van de groot-inquisiteur een “raadsel” is en dat het vooral onduidelijk blijft aan wiens kant de verteller van de legende (de atheïst Ivan Karamazov) en aan wiens kant Dostojevski zelf staat - maar zij lijkt mij in elk geval minder oppervlakkig, en dus meer in de geest van Dostojevski, dan die van mijn opponenten, die in de groot-inquisiteur alleen maar de vervolger van andersdenkenden zien.