Aantal petten bemoeilijkt oordeel van commissaris; In zo'n situatie wordt de commissaris geconfronteerd met de hamvraag: continuïteit van de onderneming tegen die van zijn betrokkenheid

De belangrijkste vraag is of er criteria zijn die duidelijkheid scheppen over het aanblijven of aftreden van een ondernemingscommissaris. Aldus M.G. Rost van Tonningen in een tour d'horizon over dat onderwerp (NRC Handelsblad, opiniepagina van 2 maart).

De vraag is, zoals uit het artikel blijkt, geenszins nieuw. De maatschappelijke relevantie ervan blijkt al bijna dertig jaar uit de aandacht van de wetgever voor de juiste samenstelling van de raad van commissarissen, en uit eraan gewijde monografieën, handboeken en vademecums. Ook de aanleiding die in de ontwikkelingen rondom Nedlloyd is aangeduid als "affaire Hagen' - en derhalve te beperkt - is niet nieuw.

Sinds jaar en dag geldt voor de raad van commissarissen, en voor de individuele commissaris, de opdracht zich te richten naar "het belang van de onderneming' bij hun functioneren als zodanig. Een op het eerste gezicht - maar niet meer dan dat - duidelijk criterium voor commissarissen, ongeacht of zij hun functie uitoefenen, beslissingen nemend of adviserend, in "gewone' of in structuurvennootschappen. Naar mijn mening vertoont dit begrip dezelfde vaagheid als het zogenoemde "algemeen belang' dat in het openbaar bestuur wordt gehanteerd.

Ernstig is dat niet. De term heeft geen eigen vaststaande inhoud, maar is veeleer een lege doos, c.q. hoge hoed waaruit een zelf te bepalen maatstaf te voorschijn moet worden getoverd. Het is een van de termen die een wetgever bezigt die niet alle ten tijde van de formulering van de wet denkbare situaties wil regelen, of niet kan regelen in het realistische bewustzijn van zijn beperkt vermogen om in de toekomst te zien. Dit verschaft ruimte voor creativiteit aan degene die in de toekomst tot beoordeling wordt geroepen of, in ander jargon, aan het vrije spel der maatschappelijke krachten. Deze beoordelaar, welke dan ook, wordt met andere woorden naar zijn eigen - subjectieve - maatstaf (terug-)verwezen, met alle gevolgen van dien. "Het belang van de onderneming' is evenmin adequaat te omschrijven als "de ideale echtgenoot' of "de perfecte manager'. "Beauty is in the eye of the beholder' zeggen de Engelsen, niet ten onrechte.

Het belang van de onderneming levert als criterium geen duidelijke en vastomlijnde regels. Het criterium zegt in beginsel niet meer dan: - vermijd c.q. wijs eventuele overwaardering c.q. behartiging van bepaalde deelbelangen aan. - de (combinatie van) al dan niet persoonlijke eigenschappen/hoedanigheden van de (combinatie van) beoordelaar dient het vertrouwen te wettigen dat deze beoordeling zo objectief mogelijk plaatsvindt.

De Nedlloydzaak, toonde, evenals vele andere zaken op dit moment en in het recente verleden weer eens overduidelijk aan dat de ondernemingsactiviteit het brandpunt (in meer betekenissen) is van nu eens parallelle, dan weer identieke, en niet zelden conflicterende belangen.

Toetsen van dit alles, in de concrete veelkleurige realiteit, is opdracht van de commissaris als bedoeld in het SER-advies voorafgaande aan de introductie van de Structuurwet.

“Wijsheid en bezonnenheid in oordeel, onafhankelijkheid en onpartijdigheid en een open oog voor de maatschappelijke ontwikkeling” werd hem toegewenst door de ontwerper(s) van de Structuurwet, destijds ook wel genoemd "Het Wonder van Den Haag'. Dit advies en deze kwalificatie worden te vaak vergeten, zowel in het bedrijfsleven als de, te vaak, "onberaden' politiek. Wat levert dit alles nu voor concrete instructies criteria, op?

Dit betekent voor de commissaris dat hij voortdurend moet zoeken naar de grootste gemene deler van de belangen der betrokkenen bij de onderneming. Dit vergt een voortdurend afwegen van die belangen, op de wijze als hiervoor aangeduid. In dit opzicht zijn commissarissen, en het ondernemingsbestuur in zijn geheel, te vergelijken met de regering van een land; die heeft tot taak de behartiging van het zogeheten "algemeen belang', hetgeen tengevolge heeft dat zij bij haar beleidsbeslissingen noch de extreem vooruitstrevenden, noch de achteruitstrevenden volledig tevreden behoeft te stellen. Daartussen is, meer dan voldoende, ruimte om beleid, en continuïteit, te verwezenlijken, zonder in immobilisme te vervallen.

Aan deze taakopdracht kan slechts worden voldaan indien de ondernemingsleiding, en in het bijzonder de commissarissen, de situatie in zijn geheel en over een zekere termijn bezien, leefbaar houden voor de stakeholders.

Confrontaties zijn aanvaardbaar, maar op zijn minst moet er vreedzame coëxistentie zijn. Een voortdurende koude oorlog is uit den boze. In een dergelijke situatie wordt de commissaris geconfronteerd met de hamvraag: de afweging van de continuïteit van de onderneming tegen de conti- nuïteit van zijn betrokkenheid bij de onderneming. (Dis-)conti- nuïteit in posities binnen ondernemingen is soms wel, soms niet in het belang van de continuïteit van de onderneming als geheel. Wanneer wel, wanneer niet? Op deze vragen wordt door Rost van Tonningen een zestal antwoorden gegeven. En die antwoorden behoeven naar mijn oordeel nadere nuancering. Dat immers een onbevooroordeelde oordeelsvorming moeilijker wordt naarmate men meer "petten' op heeft is duidelijk. En dat is het echte probleem, niet alleen in de zaak Nedlloyd.