Voor inzet krijgsmacht geldt eis staatsbelang

In het nieuwste nummer van het Amerikaanse blad Foreign Affairs spreekt Stephen Stedman de hoop uit dat Clinton, indien hij zich militair met Bosnië gaat bemoeien, de verleiding zal weerstaan een populistisch beroep te doen op ethiek en rechtsorde, doch zal volstaan met verwijzing naar het directe Amerikaans belang. Dit onderscheid lijkt ook nuttig voor het Nederlands debat. Hiertoe draagt deze krant bij met twee hoofdartikelen (NRC Handelsblad, 4 en 10 maart). Het eerste geeft aan het slot te kennen dat het plan van Vance en Owen voor de verdeling van Bosnië het recht van de sterkste bezegelt, terwijl het tweede eindigt met de these dat "het handhaven van de vrede onder de gegeven omstandigheden evenzeer een landsbelang is als de verdediging van het koninkrijk'. Rechtvaardigheid tegenover ons belang bij vrede.

Wat kan er zoal onder het Nederlands belang vallen? Te denken is, behalve aan zelfverdediging, aan zaken als het tegengaan van oorlogsgeweld elders, voorzover dit in onze eigen regio kan leiden tot instabiliteit en ongecontroleerde vluchtelingenstromen. De vraag is evenwel of ook ethiek en rechtsorde als zelfstandige rechtvaardigingen voor militair ingrijpen mogen worden opgevoerd. Dit geldt in elk geval niet voor de pure ethiek, nog afgezien van het feit dat morele beginselen met rechtsprincipes gemeen hebben dat zij een zoveel mogelijk gelijke bejegening van gelijke gevallen veronderstellen. En voor een beroep op de internationale rechtsorde moet, indien die gelijke behandeling van gelijke gevallen zich niet over de hele aardbol laat nastreven, worden aangeknoopt hetzij bij het Handvest van de VN op wereldschaal hetzij op dat van de CVSE in regionaal verband, waaronder overigens ook de Kaukasus met al zijn bloedige conflicten valt.

Weliswaar verzet niets zich tegen een morele rol voor de Nederlandse staat en bepaalt art. 90 van de Grondwet dat die staat de internationale rechtsorde moet helpen bevorderen. Maar voor inzet van de krijgsmacht geldt de strengere eis van het staatsbelang. Dit tenzij men kan aantonen dat de internationale rechtsorde valt onder de Nederlandse staatsbelangen. Dat laatste lijkt op het eerste gezicht voor de hand te liggen. Niet alleen immers is Nederland verplicht dwingend aan de lidstaten opgelegde sancties op te volgen (wel moet zo'n mandatoire uitspraak van de Veiligheidsraad dan eerst afkomen). Maar bovendien is een middelklein land als Nederland zeker gediend met een juridisch geordend internationaal samenleven van volkeren. Doch uit dat gezichtspunt schept een recht op ingrijpen tegelijk een plicht tot ingrijpen in overeenkomstige gevallen elders in de wereld of in het CVSE-gebied.

Zoiets kunnen we niet beloven. Daarom is het, ook om het verwijt van een meten met twee maten te ontlopen, veiliger een beroep te doen op concretere nationale belangen. Daarbij mag evenwel niet worden voorbijgegaan aan de vraag of een onrechtvaardig dictaat tot berusting in voldongen feiten niet het uitzicht op een internationale rechtsorde en zelfs op een houdbare vrede verder verstoort.